ECLI:NL:RBDHA:2015:10766
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling na cassatie
De officier van justitie verzocht op 22 december 2014 om machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging op 30 december 2014, ondanks het ontbreken van een aanvullende verklaring van een niet-behandelend psychiater, omdat de behandelend psychiater ter zitting een mondelinge toelichting gaf.
De Hoge Raad vernietigde deze beschikking op 26 juni 2015, omdat de machtiging niet mag worden verleend zonder schriftelijke of mondelinge verklaring van een niet-behandelend psychiater die betrokkene na inbewaringstelling heeft onderzocht. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor herbeoordeling.
Bij de nieuwe beoordeling op 7 september 2015 stelde de rechtbank vast dat de geneesheer-directeur geen kennis had genomen van de geneeskundige verklaring van de AIOS en dat haar recente beoordeling onvoldoende was om het formele gebrek te repareren. Gezien het ontbreken van een verklaring van een niet-behandelend psychiater werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank benadrukte dat de machtiging slechts kan worden verleend als voldaan is aan strikte criteria omtrent gevaar en stoornis, en dat beslissingen gebaseerd moeten zijn op actuele feiten en omstandigheden. De afwijzing volgt daarmee uit het niet voldoen aan de wettelijke vereisten en het ontbreken van een geldige geneeskundige verklaring.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling werd afgewezen wegens formeel gebrek en onvoldoende onderbouwing.