Eiseres had in haar aangifte inkomstenbelasting 2011 een persoonsgebonden aftrek opgevoerd voor de kosten van levensonderhoud van twee minderjarige kinderen, D en E. Verweerder had alleen de aftrek voor E toegelaten, omdat D volgens hem niet kwalificeerde als kind in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De rechtbank oordeelde dat D, hoewel geen biologisch kind of pleegkind in strikte zin, feitelijk als pleegkind moest worden aangemerkt omdat zij door eiseres en haar echtgenoot als eigen kind werd opgevoed en onderhouden. De relatie en verzorging waren gelijk aan die van E, die wel als kind werd erkend.
Op basis hiervan werd de aftrek voor levensonderhoud van D toegestaan, waardoor de aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van € 24.911. Het beroep werd gegrond verklaard en het betaalde griffierecht werd aan eiseres vergoed.