Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Pleegkind
kinderenzijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een
partnerheeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor levensonderhoud van het kind samengevoegd.
kindis opgenomen in artikel 2, lid 3, onderdeel i, AWR, dat bepaalt:
Stb.2014, 227). Reden hiervoor is dat de wetgever het stelsel van elf kindregelingen wilde reduceren tot vier regelingen met elk een eigen, logisch doel: de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de combinatiekorting en de kinderopvangtoeslag. [7] De afschaffing is als volgt toegelicht: [8]
BNB1968/167) [9] en strookte bovendien met de betekenis die destijds aan het begrip pleegkind in andere belastingwetten werd toegekend, waaronder de Wet op de Vermogensbelasting en de Successiewet. [10]
5.Jurisprudentie opvoedings- en onderhoudseis
nietaan de opvoedingseis werd voldaan.
Van Soestgaat het er bij de opvoedingseis om of de drang op de belastingplichtige om ondersteuning te geven aan het pleegkind, van dezelfde aard is als de drang op een ouder om zijn eigen kind, dat reeds lang aan onderhoud en opvoeding ontgroeid kan zijn, te helpen. [28]
V-NBP21/3.4, blz. 1137). In HR 26 juni 1968, BNB 1968/167 is bepaald dat onder pleegkinderen in art. 46, eerste lid, Wet IB 1964 (buitengewone lasten) moeten worden verstaan zij die, hetzij door de belastingplichtige worden onderhouden en opgevoed als een eigen kind, hetzij door de belastingplichtige als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed, doch wier opvoeding een einde heeft genomen door omstandigheden die ook ten aanzien van een eigen kind een einde aan diens opvoeding plegen te maken (bijvoorbeeld huwelijk).
HR 26 juni 1968, nr. 15 911, BNB 1968/167 (noot A.J. van Soest).
HR 27 november 1997, nr. 31 547, BNB 1997/27en
HR 18 maart 1998, nr. 33 131, BNB 1998/138, alsmede het
Besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M, BNB 2010/26, vraag 1.3.1. In dit Besluit vervangende
Besluit van 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M, BNB 2010/126was vraag 1.3.1. echter al niet meer opgenomen. Dit had naar onze opvatting geen materiële betekenis. In onderdeel 1 van laatstbedoeld Besluit werd erop gewezen dat een aantal onderdelen uit het
Besluit van 28 oktober 2009niet meer zijn opgenomen omdat hetgeen in die onderdelen was opgenomen inmiddels voldoende blijkt uit regelgeving, jurisprudentie of voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst. Ons inziens gold een en ander ook voor hetgeen was opgenomen bij vraag 1.3.1. van voornoemd Besluit.