ECLI:NL:RBDHA:2015:11517
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Sudanese eiser wegens onvoldoende aannemelijkheid herkomst en risico
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Sudanese asielzoeker die stelde tot de Nuba-bevolkingsgroep te behoren en bescherming te behoeven vanwege politieke vervolging. Eiser voerde aan dat hij broers was met een in Nederland gevestigde persoon die tot de Nuba behoort en bood aan DNA-onderzoek te ondergaan. De rechtbank zag echter geen aanleiding voor DNA-onderzoek omdat ook de herkomst van de broer niet aannemelijk was.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en specifieke informatie gaf over zijn stam en cultuur, en dat zijn verklaringen over politieke activiteiten, aanhouding en detentie ongeloofwaardig waren. Ook sprak eiser geen stamtaal en waren er tegenstrijdigheden in de verklaringen over familieleden. De taalanalyse van de broer wees uit dat deze niet tot de Nuba behoort.
Ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer stelde de rechtbank vast dat onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden dat eiser vanwege politieke activiteiten van zijn broer of zichzelf gevaar loopt. Het lidmaatschap van een oppositiegroep in Nederland was recent en onvoldoende om een risico aan te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van herkomst en ontbreken van risico op schending artikel 3 EVRM.