ECLI:NL:RBDHA:2015:12384
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot horen van opsporingsambtenaren wegens ontbreken gegronde vermoedens onregelmatigheden
Verdachte, vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, verzocht de rechter-commissaris om vier verbalisanten te horen over hun herkenning van verdachte op camerabeelden. De raadsvrouw wilde onderzoeken of deze herkenningen mogelijk beïnvloed waren door collega’s, aangezien verdachte al was aangehouden voordat de herkenningen plaatsvonden.
De rechter-commissaris wees het verzoek af maar gaf de raadsvrouw wel de mogelijkheid om schriftelijke vragen aan de verbalisanten te stellen. Tegen deze afwijzing maakte verdachte bezwaar bij de meervoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag.
De rechtbank oordeelde dat het horen van opsporingsambtenaren alleen mogelijk is bij gegronde vermoedens van onregelmatigheden in het opsporingsonderzoek. De raadsvrouw had echter geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die dergelijke vermoedens ondersteunen. Ook zag de rechtbank geen reden waarom de vragen niet schriftelijk gesteld konden worden.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigde zij de beschikking van de rechter-commissaris. De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer op 29 september 2015.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van vier verbalisanten wordt ongegrond verklaard.