ECLI:NL:RBDHA:2015:12612
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen WIA-toekenningsbesluit ondanks premiedifferentiatiebelang werkgever
Eiseres, werkgever, stelde bezwaar in tegen een WIA-toekenningsbesluit van 4 oktober 2012 aan haar werknemer, dat destijds in rechte vaststond. Door de invoering van de premiedifferentiatie in 2014 kreeg eiseres met terugwerkende kracht belang bij dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het formele rechtskrachtbeginsel niet doorbroken kan worden om alsnog bezwaar te maken tegen het besluit, omdat dit de rechtszekerheid zou schaden.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep bij de invoering van de Wet Pemba in 1998, waarin werkgevers de rechtmatigheid van oudere toekenningsbesluiten konden aanvechten in premievaststellingsprocedures. Dit biedt een vergelijkbare mogelijkheid voor eiseres om de rechtmatigheid van het WIA-besluit aan de orde te stellen in het beroep tegen de premievaststelling.
Het bezwaar van eiseres tegen het WIA-besluit wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt verweerder in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 november 2015.
Uitkomst: Bezwaar tegen het WIA-toekenningsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.