Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 september 2014;
- de conclusie van antwoord van 11 februari 2015;
- het tussenvonnis van 25 februari 2015 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
2.De feiten
Doel, richtsnoeren en algemene verplichtingen.” De Delen III en IV hebben als respectievelijke titels: “
Maatregelen met betrekking tot de vermindering van de vraag naar tabak” en “
Maatregelen ter vermindering van de vraag naar tabak”. Blijkens artikel 3, dat is opgenomen in deel II, is het doel van het verdrag de huidige en toekomstige generaties te beschermen tegen de verwoestende gezondheidseffecten en sociale, milieu- en economische gevolgen van tabaksconsumptie en blootstelling aan tabaksrook.
3.Het geschil
.Dit onrechtmatig handelen, dat zowel bestaat uit een inbreuk op een recht als uit een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, is gestoeld op drie pijlers.
4.De beoordeling
De ontvankelijkheid
moetennemen, dwingt – anders dan de stichting heeft betoogd – niet tot een ander oordeel. Voor het antwoord op de vraag of een resultaat voldoende nauwkeurig is omschreven, is immers niet beslissend of een verdragsbepaling verplicht tot het nemen van maatregelen – welk dwingend karakter door de Staat in dit geval ook niet is bestreden –, maar of het resultaat dat daarmee kan worden bereikt, voldoende nauwkeurig is omschreven. De rechtbank verwijst in dit verband ter illustratie naar het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011, waarin de werking van artikel 11 lid 2 onder Pro b van het Vrouwenverdrag aan de orde was (ECLI:NL:HR:2011:BP3044). In dat arrest is beslist dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, terwijl ook daarin het nemen van maatregelen dwingend was voorgeschreven.