Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Verzoekster is geboren op [geboortedatum verzoekster] en heeft de Albanese nationaliteit. Zij heeft op 8 januari 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), ingediend. Aan haar aanvraag heeft verzoekster het volgende relaas – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd. Verzoekster is op 10 januari 2014 vanuit Albanië naar Athene gegaan, om daar werk te zoeken. Rond maart 2013 is zij in café [naam café] benaderd door de Albanees [naam persoon]. Hij bood haar werk aan als schoonmaakster. Verzoekster accepteerde dit aanbod en ging met [naam persoon] mee naar zijn woning. Daar aangekomen, werd zij gedongen in de prostitutie te werken. Verzoekster werd bedreigd en moest haar familie en echtgenoot bellen om te zeggen dat ze een nieuwe man had gevonden en dat ze niet naar haar op zoek moesten gaan. Tot 24 december 2013 heeft verzoekster vervolgens in deze woning gezeten en moest zij zich prostitueren. Op 24 december 2013 kon zij vluchten. Hierna is ze met hulp van haar echtgenoot teruggekeerd naar Albanië. Haar familie verstootte haar echter vanwege haar werk in de prostitutie. Verzoekster heeft vervolgens nog enige tijd met haar echtgenoot in Tirana gewoond. Op 13 of 14 augustus 2014 zag verzoekster [naam persoon] lopen in Tirana. Verzoekster is toen bang geworden dat hij naar haar op zoek was en heeft op 16 september 2014 Albanië verlaten.
Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege het zijn van een slachtoffer van mensenhandel, zoals bedoeld in onderdeel B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Evenmin wordt in hetgeen verzoekster heeft meegemaakt aanleiding gezien haar een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van ‘overige bijzondere individuele omstandigheden’ (humanitaire redenen).
Ten slotte heeft verweerder geen aanleiding gezien verzoekster uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro Vw 2000. Verzoekster heeft het gestelde suïciderisico niet onderbouwd. De verwijzing naar het Medifirst-rapport en het overgelegde patiëntendossier, waarin melding wordt gemaakt van de opmerking van verzoekster dat zij liever dood gaat dan terug naar haar land van herkomst, acht verweerder hiervoor onvoldoende. Voor het vragen van een advies aan Bureau Medische Advisering (BMA) ziet verweerder ook geen aanleiding.
Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd, wordt er terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit.
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.