ECLI:NL:RBDHA:2015:14078
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- G.W.S. de Groot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Polen op grond van Dublinverordening
Verzoekster, van Oekraïense nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om haar aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 af te wijzen. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op haar bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat bij overdracht op grond van de Dublinverordening enkel beoordeeld moet worden of verzoekster en haar zoon kunnen reizen, niet of medische behandeling in het overdragende land mogelijk is. Er is geen bewijs dat zij niet kunnen reizen, ook al moet de zoon spoedig geopereerd worden. De medische behandeling kan in Polen plaatsvinden, en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
Verder is vastgesteld dat de zesmaandentermijn voor overdracht is gaan lopen op 4 mei 2015 en eindigt op 4 november 2015. Er is geen opschortende werking van het bezwaar geweest. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en de Terugkeerrichtlijn faalt omdat deze niet van toepassing zijn in deze fase.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen spoedeisend belang meer voor het tweede verzoek, omdat op 3 november 2015 een besluit op de aanvraag is genomen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Polen wordt afgewezen omdat verzoekster en haar zoon kunnen reizen en medische behandeling in Polen mogelijk is.