ECLI:NL:RBDHA:2015:14515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 december 2015
Publicatiedatum
15 december 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5740
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 2 sub c WwbArt. 13 lid 2 sub c Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvragen wegens ontbreken recht op voorliggende studiefinanciering

Eiser heeft twee keer een bijstandsuitkering aangevraagd, waarvan beide aanvragen zijn afgewezen door verweerder op grond van het ontbreken van recht op bijstand vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening: studiefinanciering. De eerste aanvraag betrof de periode van 6 oktober 2014 tot 28 november 2014 en viel onder de Wet werk en bijstand (Wwb). De tweede aanvraag, van 27 januari 2015 tot 11 februari 2015, viel onder de Participatiewet (Pw).

De rechtbank stelde vast dat eiser jonger dan 27 jaar is en geacht wordt onderwijs te volgen om een startkwalificatie te behalen. Een medisch advies gaf aan dat er geen medische belemmeringen zijn om een opleiding te volgen, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Eiser had zich niet tijdig ingeschreven voor een opleiding in de eerste periode en toonde een afwijzende houding ten aanzien van het volgen van een opleiding, waardoor hij niet kon aantonen dat hij geen aanspraak kon maken op studiefinanciering.

Voor de tweede periode gold hetzelfde oordeel: eiser had regulier onderwijs kunnen volgen, maar dit is niet gelukt door zijn eigen handelen. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de bijstandsaanvragen terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens het bestaan van een voorliggende voorziening in de vorm van studiefinanciering.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 15/5740
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. Zahi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, verweerder

(gemachtigde: drs. E. van Nooijen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2014 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 6 oktober 2014 om een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen. Bij besluit van 11 februari 2015 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 27 januari 2015 om een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 24 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2015. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en derhalve jonger dan 27 jaar. Hij ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wwb. Bij besluit van 3 september 2014 heeft verweerder deze bijstandsuitkering met ingang van 1 september 2014 beëindigd op de grond dat eiser geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering omdat hij geacht wordt aanspraak te kunnen maken op een voorliggende voorziening. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat eiser geacht wordt onderwijs te volgen om een startkwalificatie te behalen. Hiermee heeft eiser recht op studiefinanciering dan wel salaris, afhankelijk van het soort onderwijs. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
3. Op 6 oktober 2014 heeft eiser een bijstandsuitkering aangevraagd (eerste aanvraag), waarin hij verklaart dat hij niet in staat is een MBO-opleiding te volgen wegens agressieproblematiek en een beperkt leervermogen. Om vast te kunnen stellen of eiser in staat wordt geacht een opleiding te volgen, heeft [medisch adviseur], medisch adviseur bij de GGD, op 24 november 2014 een medisch advies opgesteld. Uit het advies volgt – kort gezegd – dat er geen medische redenen zijn waarom eiser niet een opleiding zou kunnen volgen, mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan om uitval te voorkomen. Bij primair besluit I heeft verweerder de bijstandsaanvraag afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat eiser geen startkwalificatie bezit en wel geacht wordt deze te behalen op minimaal MBO 2 niveau. Het starten van een opleiding met een inkomen uit de Wet Studiefinanciering (WSF) wordt als een voorliggende voorziening gezien.
4. Op 27 januari 2015 heeft eiser opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd (tweede aanvraag). Hierin geeft eiser te kennen dat de door hem gewenste opleiding pas in september 2015 start. Bij primair besluit II heeft verweerder ook deze bijstandsaanvraag afgewezen op de grondslag dat de WSF als een voorliggende voorziening wordt gezien.
5. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van twee aanvragen van een bijstandsuitkering, zodat er twee te beoordelen periodes zijn. De eerste periode in geding loopt van 6 oktober 2014 (datum eerste aanvraag) tot en met 28 november 2014 (datum van primair besluit I). Nu primair besluit I en het daaropvolgende bezwaarschrift dateren van voor 1 januari 2015, wordt beslist met toepassing van de Wwb. De tweede periode in geding loopt van 27 januari 2015 (datum tweede aanvraag) tot en met 11 februari 2015 (datum van primair besluit II). Nu primair besluit II en het daaropvolgende bezwaarschrift dateren van na 1 januari 2015, dient daarop te worden beslist met toepassing van de Pw.
6. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat sprake is van de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb, thans Pw. Daarvan is sprake als eiser uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de WSF.
7. In de eerste periode bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen onderwijs kon volgen en daarvoor geen inkomen uit de WSF kon krijgen. In dat verband is van belang dat verweerder op 2 juli 2014 een brief heeft gestuurd waarin eiser erop gewezen is dat hij zich tijdig moet inschrijven voor een opleiding. Hierbij is eiser gewezen op de vakantiesluitingen van het ROC. Niet gebleken is dat eiser zich heeft aangemeld voor een opleiding met een startdatum gelegen in de periode in geding. Uit de stukken blijkt slechts dat eiser zich heeft ingeschreven voor een opleiding per 26 januari 2015. Dit is dan ook het verschil met de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 7 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3351), omdat in de onderhavige zaak niet is gebleken dat eiser niet per 1 september 2014 kon instromen. Daar komt bij, zoals verweerder ook ter zitting nader heeft toegelicht, dat eiser ook een andere opleiding dan commercieel medewerker had kunnen volgen. Door zijn afwijzende houding heeft verweerder dit niet samen met eiser kunnen onderzoeken. Dit komt voor eisers rekening.
8. Ook voor de tweede te beoordelen periode geldt dat eiser regulier onderwijs had kunnen volgen maar dat het aan hem te wijten is dat dit niet is gelukt.
9. Dat eiser inmiddels wél met ingang van 11 maart 2015 een bijstandsuitkering ontvangt doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat eiser bij die aanvraag, anders dan bij de onderhavige aanvragen, wel heeft meegewerkt.
10. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser voor beide periodes in geding niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen via studiefinanciering bekostigde opleiding kon volgen. De aanvragen zijn terecht afgewezen onder verwijzing naar artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb, thans Pw. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking meer.
11. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier, op 14 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.