ECLI:NL:CRVB:2014:3351
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand wegens vermeend recht op regulier onderwijs niet op juiste grondslag
Appellant, geboren in 1987, vroeg bijstand aan na het beëindigen van een WW-uitkering. Het college weigerde bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en c, van de WWB, omdat appellant regulier onderwijs zou kunnen volgen en daardoor geen recht zou hebben op bijstand.
Appellant voerde aan dat hij in de beoordelingsperiode niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen, omdat de opleidingen pas in september of februari starten. Het college kon dit niet weerleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat de weigering niet op een juiste feitelijke grondslag berust en ontoereikend is gemotiveerd. Het college moet het besluit binnen zes weken herstellen en nader onderzoek doen naar de omvang van de bijstand waarop appellant recht heeft vanaf 15 april 2013.
De Raad benadrukt dat de uitsluitingsgrond van artikel 13 WWB Pro alleen geldt als regulier onderwijs daadwerkelijk gevolgd kan worden vanaf de betreffende periode. De zoektermijn van vier weken is correct toegepast, ook bij eerdere meldingen zonder aanvraag. De beslissing wordt terugverwezen voor heroverweging.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het besluit te herstellen omdat de weigering van bijstand niet op een juiste feitelijke grondslag berust.