Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
AWB 15/10706(beroep)
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsvergunning van het type artikel 14 Vreemdelingenwet Pro 2000, waarbij hij wilde verblijven als familie- of gezinslid van referente. De staatssecretaris wees dit af wegens het ontbreken van duurzame middelen van bestaan, ondanks het overleggen van een huwelijksakte en werkgeversverklaringen.
De rechtbank stelde vast dat de door referente overgelegde tijdelijke arbeidscontracten niet aantoonden dat de middelen nog ten minste één jaar beschikbaar zouden zijn. Ook het arbeidsverleden van referente, met een periode van bijstandsuitkering, onderbouwde onvoldoende duurzaamheid. De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht had afgewezen en dat de omstandigheden in het onderwijs niet zodanig bijzonder waren om hiervan af te wijken.
Eiser voerde aan dat de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn en jurisprudentie zoals het arrest Chakroun ook de duurzaamheid van middelen betreffen en dat een individuele belangenafweging vereist is. De rechtbank volgde dit, maar concludeerde dat verweerder de aanvraag conform deze richtlijnen had getoetst en dat het beroep daarom ongegrond is verklaard.
Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen omdat de rechtbank op het beroep zelf had beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de wijziging van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende duurzame middelen van bestaan wordt ongegrond verklaard.