Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1. [eiser]
IN AANMERKING NEMENDE
€ 20.133
€ 32.400
6. In geschil is of het verlies op de schuldvordering ten laste van eisers inkomen uit werk en woning kan worden gebracht als verlies uit onderneming.
)en dat deze bepaling samenhangt met de (fiscale) behandeling van de commanditaire deelname. Daarbij is opgemerkt dat doordat ook de voordelen op leningen die het karakter van eigen vermogen hebben, onder het winstregime zijn gebracht, het niet mogelijk is door middel van zeer nabij gelegen vormen van vermogensverschaffingen uit te wijken naar box III (Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 42
).
onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogenvan de belastingplichtige’. Sinds de wet ‘Werken aan winst’ (30 november 2006,
Stb.2006, 631) dient voor de uitleg van dit begrip aansluiting te worden gezocht bij de criteria uit de jurisprudentie. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2005/06, 30 572, nr.3, blz. 47) wordt expliciet verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 1957, nr. 13 127, BNB 1957/239 en 11 maart 1998, nr. 32.240, ECLI:NL:HR:1998:AA2453. In latere jurisprudentie heeft de Hoge Raad deze nader ingevuld in zijn arresten van 25 november 2005, nrs. 40.989 en 40.990, ECLI:NL:HR:2005:AT5958 en AU6888. Uit voornoemde arresten blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of in de fiscale sfeer een geldverstrekking door een schuldeiser aan een ondernemer als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel de civielrechtelijke vorm beslissend is. Deze regel lijdt uitzondering, indien de lening wordt verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar. Aan deze voorwaarden is voldaan, indien de vergoeding voor de geldverstrekking vrijwel geheel afhankelijk is van de winst van de vennootschap, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie of een looptijd heeft van meer dan 50 jaren.