Eiser, een Pakistaanse man, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke werd afgewezen wegens vermoedens van een schijnrelatie. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht twijfelde aan de oprechtheid van de relatie, mede gelet op eerdere afgewezen asielaanvragen en tegenstrijdige verklaringen tijdens een simultaan interview.
Eiser had eerder een voorgenomen huwelijk met een veel oudere weduwe, dat niet doorging, en is later een relatie aangegaan met een andere oudere vrouw, referente, met wie hij in Pakistan trouwde volgens de Muslim Family Laws Ordinance 1961, ondanks dat beiden christen zijn. De rechtbank acht het vreemd dat zij kozen voor een huwelijk volgens een wet die niet op hen van toepassing is.
De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake was van een schijnrelatie die is aangegaan met als enig doel het verkrijgen van verblijfsrecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.