ECLI:NL:RBDHA:2015:15992
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod
Eiser, sinds 1992 in Nederland met een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kreeg deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 20 oktober 2012 vanwege herhaalde strafbare feiten. Tevens werd hem een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank overwoog dat zolang het inreisverbod geldt, eiser geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning. Daarom werden de gronden tegen de intrekking besproken in het kader van het beroep tegen het inreisverbod. Eiser voerde onder meer aan dat het inreisverbod in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, zijn recht op privéleven (art. 8 EVRM Pro), discriminatie op grond van zijn etnische achtergrond (art. 3 EVRM Pro) en dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid zouden moeten leiden.
De rechtbank verwierp alle beroepsgronden. De overgangsregeling van het gewijzigde artikel 3.86 Vb 2000 is correct toegepast, mede omdat eiser na 1 juli 2012 opnieuw strafbare feiten pleegde en onherroepelijk werd veroordeeld. De belangenafweging hield rekening met de langdurige verblijfsduur en sociale banden in Nederland, maar ook met de ernst en frequentie van de gepleegde misdrijven. De vermeende discriminatie werd niet aannemelijk gemaakt. De bijzondere omstandigheden vielen binnen het beleid en rechtvaardigden geen afwijking. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.