ECLI:NL:RBDHA:2015:16393
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens eerdere werkgever en nevenfunctie
In een civiele procedure bij de rechtbank Den Haag heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechter in die rechtbank. Verzoeker stelde dat er sprake was van schijn van partijdigheid omdat de rechter eerder werkzaam was bij hetzelfde advocatenkantoor als de advocaten van de wederpartij en vanwege haar nevenfunctie als bezoldigd voorzitter van een geschillencommissie van Stichting PIV, die banden heeft met de wederpartij.
De rechter heeft schriftelijk verweer gevoerd en toegelicht dat zij sinds 2003 geen banden meer onderhoudt met het advocatenkantoor en geen persoonlijke contacten had met de betrokken advocaten. Ook benadrukte zij dat haar voorzitterschap van de geschillencommissie verenigbaar is met haar onpartijdigheid, mede omdat zij slechts een geringe vergoeding ontvangt en de commissie onafhankelijk is samengesteld.
De wrakingskamer oordeelde dat de enkele omstandigheid van het eerdere dienstverband onvoldoende is voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Ook de nevenfunctie van de rechter en het ontvangen van een prijs in verband met haar werk voor de rechtbank vormen geen aanleiding tot twijfel over haar onpartijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de oorspronkelijke stand.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.