ECLI:NL:RBDHA:2015:16396
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in verdelingsprocedure
In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de verdelingsprocedure behandelde, wegens vermeende vooringenomenheid. De rechter had op verzoek van partijen een voorlopig oordeel gegeven over een geschilpunt, de overwaarde van het huis, en verzoekster vond dat dit zonder voorbehoud gebeurde en dat de rechter oneigenlijke druk uitoefende.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld. Uit het proces-verbaal bleek dat partijen uitgebreid hun standpunten hadden toegelicht voordat de rechter het voorlopige oordeel gaf. Dit oordeel werd gegeven om de onderhandelingen te faciliteren en kan niet leiden tot een objectieve vrees voor partijdigheid. Ook het feit dat de rechter de belevingswereld van belanghebbende toelichtte, werd niet als vooringenomenheid gezien.
Verder was het wrakingsverzoek gebaseerd op het feit dat de rechter ook de echtscheidingsprocedure behandelde en dat de comparitie zonder griffier plaatsvond. De kamer oordeelde dat verzoekster hiervan op de hoogte was en geen bezwaar had gemaakt, en dat de afwezigheid van de griffier geen grond voor wraking oplevert.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek voor zover het verband hield met de persoon van de rechter niet ontvankelijk en wees het verzoek op overige gronden af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.