ECLI:NL:RBDHA:2015:16418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
14 maart 2018
Zaaknummer
C/09/491244 / JE RK 15-1212
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 20 Verordening EG nr. 2201/2003Art. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling in internationale kinderontvoeringszaak

De rechtbank Den Haag behandelde op 30 juni 2015 een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen in een internationale kinderontvoeringszaak. De minderjarigen verbleven feitelijk bij de vader in Nederland, terwijl de moeder in Duitsland woonde. De ouders waren gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast, maar hielden zich niet aan de overeengekomen zorgregeling die een week om week verblijf in Nederland en Duitsland voorschreef.

De vader had de kinderen tegen de wil van de moeder naar Nederland gebracht, wat leidde tot een procedure tot teruggeleiding die door de rechtbank werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het dringend noodzakelijk was de minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen vanwege de onderlinge strijd tussen ouders, het gebrek aan communicatie en het sporadische contact van de kinderen met de moeder. Tevens waren er ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, die zich niet aan rechterlijke beslissingen leek te houden en geweld en intimidatie niet schuwde.

De rechtbank besloot de voorlopige ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de periode van 30 juni tot 30 september 2015 en verwees de zaak voor verdere beoordeling naar de rechtbank Oost-Brabant. De Raad voor de Kinderbescherming werd verzocht tijdig rapport en advies uit te brengen. De beschikking werd gegeven door drie kinderrechters en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank stelde de minderjarigen voorlopig onder toezicht vanwege ernstige zorgen over hun welzijn en verwees de zaak voor verdere behandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer
Zaaksgegevens: C/09/491244/JE RK 15-1212
Datum uitspraak: 30 juni 2015

Voorlopige ondertoezichtstelling

op het mondelinge verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

betreffende:
- [1. minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Duitsland);
- [2. minderjarige] , [2. minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oostenrijk).
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[1.belanghebbende] ,

de moeder,
wonende te [woonplaats moeder] , Duitsland,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,
en

[2. belanghebbende] ,

de vader,
wonende te [woonplaats vader] ,
advocaat: mr. L. Stam te Vught,
die gezamenlijk met het ouderlijk gezag zijn belast.
De minderjarigen verblijven feitelijk bij de vader.

Het procesverloop

Op 16 juni 2015 heeft ter terechtzitting met gesloten deuren van de meervoudige kamer van deze rechtbank de behandeling plaatsgevonden van het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Duitsland (C/09/483783, FA RK 15-1502).
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, zoals die zijn ingediend in de procedure met kenmerk C/09/483783, FA RK 15-1502 (de teruggeleidingsprocedure).
Bij afzonderlijke beschikking d.d. 30 juni 2015 is beslist op het verzoek tot teruggeleiding van de moeder, in die zin dat de moeder niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot teruggeleiding van [1. minderjarige] en dat het verzoek ten aanzien van [2. minderjarige] is afgewezen.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Duitse taal;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • namens de Raad: mevrouw [naam] .
Van de zijde van de vader is een pleitnotitie overgelegd. Namens de Raad is mondeling verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling, zowel bij een toewijzende als afwijzende beslissing op het verzoek tot teruggeleiding.

Verzoek

Het verzoek strekt tot voorlopige ondertoezichtstelling van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] met toepassing van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Beide ouders hebben ingestemd met het verzochte, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de tussen de ouders op 5 april 2013 ten overstaan van de rechtbank in [plaatsnaam] (Oostenrijk) overeengekomen zorgregeling, dienen de de minderjarigen om en om een week bij vader in Nederland en vervolgens een week bij de moeder in Duitsland te verblijven. Vast staat dat partijen zich over en weer niet aan deze regeling hebben gehouden, hetgeen heeft geleid tot meerdere procedures tussen partijen in Oostenrijk, Duitsland en Nederland. Ook is niet in geschil dat de vader [1. minderjarige] tegen de wil van de moeder op 5 juni 2014 heeft meegenomen naar Nederland, evenals [2. minderjarige] , op 5 november 2014. Door de moeder is vervolgens de hiervoor genoemde procedure tot teruggeleiding van de minderjarigen naar haar in Duitsland aanhangig gemaakt. Sinds de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland, hebben zij slechts sporadisch contact met de moeder. De minderjarigen verblijven thans nog bij de vader in [woonplaats vader] .
De rechtbank acht zich, gelet op de spoedeisendheid van het verzoek, bevoegd om daarvan kennis te nemen (artikel 20 van Pro Verordening EG nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II bis). Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, nu de kinderen feitelijk in Nederland verblijven.
Op grond van de inhoud van de stukken in de teruggeleidingsprocedure en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, komt de rechtbank tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat de minderjarigen, hangend een nader in te stellen onderzoek door de Raad naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht worden gesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat haar is gebleken dat de ouders zich lijken te hebben ingegraven in hun onderlinge strijd om, kort gezegd bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling, waardoor zij niet meer met elkaar (kunnen) communiceren. Dit heeft ertoe geleid dat de minderjarigen gedurende geruime tijd afwisselend geen of nauwelijks contact hebben gehad met de andere ouder, laatstelijk met de moeder.
De rechtbank heeft ernstige zorgen over de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de minderjarigen, te meer daar de vader meermalen heeft laten zien zich niet gebonden te achten aan rechterlijke beslissingen over de kinderen. Ook heeft de vader – door de wijze van “overbrenging” van de minderjarigen naar Nederland – laten zien geweld en intimidatie in het bijzijn van de minderjarigen niet te schuwen met als (enig) doel beide kinderen bij zich te kunnen hebben. Nu de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarigen niet zal gelasten, zullen de minderjarigen voorlopig, totdat anders is beslist, bij de vader verblijven. De rechtbank acht het van dringend belang dat er meer zicht komt op de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de vader en dat hulpverlening wordt ingezet om hen uit de strijd van de ouders te halen. De door de vader in het vrijwillig kader ingezette hulpverlening acht de rechtbank, gelet op de ernst van de situatie, naar haar voorlopige inschatting, in afwachting van onderzoek hiernaar, niet toereikend, nu deze tot nu toe in ieder geval niet heeft geleid tot verbetering van de situatie.
Dit alles leidt tot de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen, als hierna weergegeven.
De rechtbank zal het verzoek voor verdere beoordeling verwijzen naar rechtbank Oost-Brabant, nu de kinderen in dat arrondissement verblijven.

Beslissing

De rechtbank:
stelt de minderjarigen:
- [1. minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (Duitsland);
- [2. minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oostenrijk);
van 30 juni 2015 tot 30 september 2015 voorlopig onder toezicht van
Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming tijdig aan de
rechtbank Oost-Brabantrapport en advies uit te brengen;
verwijst de zaak ten aanzien van dit verzoek in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Oost-Brabant (team Familie- en Jeugdrecht).
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, I.D. Bellaart en A.M.A. Keulen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.
Ingevolge artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.