De rechtbank Den Haag behandelde op 30 juni 2015 een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen in een internationale kinderontvoeringszaak. De minderjarigen verbleven feitelijk bij de vader in Nederland, terwijl de moeder in Duitsland woonde. De ouders waren gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast, maar hielden zich niet aan de overeengekomen zorgregeling die een week om week verblijf in Nederland en Duitsland voorschreef.
De vader had de kinderen tegen de wil van de moeder naar Nederland gebracht, wat leidde tot een procedure tot teruggeleiding die door de rechtbank werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het dringend noodzakelijk was de minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen vanwege de onderlinge strijd tussen ouders, het gebrek aan communicatie en het sporadische contact van de kinderen met de moeder. Tevens waren er ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, die zich niet aan rechterlijke beslissingen leek te houden en geweld en intimidatie niet schuwde.
De rechtbank besloot de voorlopige ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de periode van 30 juni tot 30 september 2015 en verwees de zaak voor verdere beoordeling naar de rechtbank Oost-Brabant. De Raad voor de Kinderbescherming werd verzocht tijdig rapport en advies uit te brengen. De beschikking werd gegeven door drie kinderrechters en in het openbaar uitgesproken.