ECLI:NL:RBDHA:2015:193
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit vertrektermijn en oplegging vertrek binnen vier weken
Eiser, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat de ingediende stukken niet als nieuwe feiten (nova) werden beschouwd. Tevens bepaalde verweerder dat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, verwijzend naar artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag niet was afgewezen wegens onjuiste gegevens, maar vanwege het ontbreken van nieuwe feiten. Daarmee was de onmiddellijke vertrektermijn onterecht opgelegd. Ook was het aangevulde besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:47 Awb.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de vertrektermijn betrof, en bepaalde dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten.