ECLI:NL:RBDHA:2015:2359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2015
Publicatiedatum
6 maart 2015
Zaaknummer
C-09-480684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten plaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot diens 18de verjaardag en om machtiging voor plaatsing in een gesloten accommodatie. De instelling stelde dat gesloten plaatsing noodzakelijk was ter bescherming van de minderjarige en de maatschappij, mede vanwege het risico dat de minderjarige als jihadstrijder naar Syrië zou reizen.

De minderjarige verzette zich tegen de gesloten plaatsing en ontkende extreme islamitische denkbeelden te hebben. De moeder was bereid de minderjarige thuis op te nemen en steunde afwijzing van de gesloten plaatsing.

De rechtbank oordeelde dat hoewel er nog zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige zijn, er binnen de gesloten accommodatie geen behandeling meer wordt geboden en ook niet verwacht kan worden dat dit binnen de resterende termijn zal veranderen. De maatregel van gesloten plaatsing is niet bedoeld om enkel de bewegingsvrijheid te beperken zonder zorg.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot machtiging voor gesloten plaatsing af. Tevens concludeerde de rechtbank dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn, zodat ook dit verzoek werd afgewezen. Lopende maatregelen blijven van kracht tot 25 februari 2015.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten plaatsing minderjarige wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: JE RK 15-31
Zaaknummer: C/09/480684
Datum beschikking: 17 februari 2015
Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling; afwijzing machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie.

Beschikking op het op 8 januari 2015 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (verder: de gecertificeerde instelling),
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],
kind uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:
[A],
de vader, geen belanghebbende
en
[B]
,
de moeder,
wonende te [woonplaats],
die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
De minderjarige verblijft feitelijk in een gesloten accommodatie[X]

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen;
- de instemmingsverklaring d.d. 23 januari 2015 van een gedragswetenschapper als bedoeld
in artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren
heeft onderzocht;
- een Evaluatie Plan van Aanpak gezinsvoogdij en Jeugdreclassering, periode februari 2014 – februari 2015;
- een Observatierapport ZIKOS van de periode 8 oktober 2014 tot en met 20 januari 2015;
- een Observatierapport ZIKOS van de periode 18 juli 2014 tot en met 8 oktober 2014
- het proces-verbaal van de terechtzitting van deze rechtbank d.d. 30 januari 2015.
Op 17 februari 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
* mevrouw [Y], namens de gecertificeerde instelling;
* de moeder;
* de minderjarige, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.J.W. de Water.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 14 januari 2015 de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag bevolen een advocaat aan de minderjarige toe te voegen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 11 februari 2014 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 25 februari 2014 tot 25 februari 2015.
Bij beschikking d.d. 23 oktober 2014 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om de minderjarige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven van 27 oktober 2014 tot 25 februari 2015.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling tot 24 april 2015, zijnde de 18de verjaardag van de minderjarige, alsmede tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling heeft ter onderbouwing van het verzoek gesteld dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is om de veiligheid van de minderjarige en de maatschappij te garanderen, omdat op deze manier kan worden voorkomen dat de minderjarige uitreist naar een oorlogsgebied. De gecertificeerde instelling acht het gegeven dat is gebleken dat de minderjarige onbehandelbaar is en niet zal leren van de plaatsing geen contra‑indicatie voor toewijzing van het verzoek. De minderjarige moet worden beschermd tegen zichzelf, aldus de gecertificeerde instelling.
De minderjarige heeft zich niet verzet tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Met betrekking tot het verzoek tot gesloten plaatsing is door en namens hem afwijzing bepleit. De minderjarige heeft aangegeven nog immer niet van plan te zijn om als jihadstrijder naar Syrië af te reizen en heeft daarbij naar voren gebracht dat hij al lang had kunnen afreizen als hij dat had gewild. Het klopt niet dat hij extreme denkbeelden heeft die aansluiten bij een zeer orthodoxe en/of gewelddadige interpretatie van de islam.
De moeder heeft zich niet specifiek uitgelaten over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Met betrekking tot het verzoek tot plaatsing in een gesloten accommodatie heeft de moeder afwijzing verzocht. Zij is bereid de minderjarige weer thuis op te nemen en zal zich inzetten om via haar werkgever werk voor de minderjarige te vinden. Zij heeft afspraken met hem gemaakt om samen geen discussie te voeren omtrent geloofskwesties.

Beoordeling

De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak eerst de vraag te beantwoorden of de minderjarige nog altijd ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
De rechtbank komt tot het oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat de zorgen over de persoonsontwikkeling van de minderjarige nog altijd aanwezig zijn. Het diagnostische beeld is onveranderd gebleven en dat maakt dat de door de hulpverlening waargenomen risico’s ten aanzien van de maatschappelijke participatie in onverminderde mate aanwezig zijn. Duidelijk is echter ook geworden dat er binnen de gesloten accommodatie geen behandeling meer wordt geboden nu de minderjarige hiervoor niet openstaat en niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat hierin in de komende twee maanden, zijnde de tijd die de gesloten plaatsing nog maximaal kan duren, nog verandering zal komen.
Een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat de gesloten plaatsing, zo het verzoek daartoe opnieuw zou worden toegewezen, uitsluitend en alleen zou strekken tot het tot zijn 18de verjaardag beperken van de bewegingsvrijheid van de minderjarige, zonder dat behandeling of begeleiding wordt of kan worden geboden. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van plaatsing in een gesloten accommodatie hiervoor niet is bedoeld. Er is geen sprake meer van een situatie waarin opneming in een gesloten accommodatie noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, nu niet aannemelijk is gemaakt dat er überhaupt nog zorg in de zin van de wet zal worden geboden.
Het verzoek om een nieuwe machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie met ingang van de expiratiedatum van de huidige machtiging, te weten 25 februari 2015, wordt derhalve afgewezen.
In het licht van deze beslissing komt de rechtbank vervolgens tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, zodat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling eveneens zal worden afgewezen.
Een verlenging van de ondertoezichtstelling tot 24 april 2015 zou naar het oordeel van de rechtbank hooguit aan de moeder enige handvatten kunnen bieden om de opvoeding en de verzorging van de minderjarige bij haar thuis weer op te pakken. De rechtbank is echter van oordeel dat de noodzaak hiertoe op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken.
De rechtbank overweegt ten slotte dat zij geen aanleiding ziet om de nog lopende maatregelen per heden te beëindigen, zodat deze eerst per 25 februari 2015 eindigen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, voorzitter, mr. A.J.J.M. Weijnen en mr. C.L. Strop, kinderrechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 februari 2015 in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.