ECLI:NL:RBDHA:2015:2790
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging van kinderopvangtoeslagbeschikkingen wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Eiseres ontving in 2006 een voorschot kinderopvangtoeslag over 2007 van € 10.812. Pas in 2014 stelde verweerder een definitieve berekening vast van € 1.509, wat een terugvordering van € 9.303 betekende. Eiseres maakte bezwaar en diende daarna een beroepschrift in. Verweerder stelde in januari 2015 de toeslag opnieuw definitief vast op € 9.714, met een terugvordering van € 446.
De rechtbank oordeelde dat het beroepschrift ontvankelijk was, ondanks dat het te vroeg was ingediend, omdat eiseres redelijkerwijs mocht aannemen dat de beslissing op bezwaar al genomen was. Vervolgens werd beoordeeld of de herziening van de toeslag binnen de wettelijke termijnen had plaatsgevonden.
De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst de definitieve berekening niet binnen de in de Awir gestelde termijnen had vastgesteld en dat het lange tijdsverloop van ruim zes jaar strijdig was met het rechtszekerheidsbeginsel. Hierdoor stond het verweerder niet langer vrij om de toeslag in 2015 vast te stellen en het bedrag terug te vorderen.
De beschikkingen van 1 april 2014 en 14 januari 2015 werden vernietigd en verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikkingen en verbiedt terugvordering van € 446 wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.