ECLI:NL:RBDHA:2015:4133
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen opname DNA-profiel minderjarige veroordeelde wegens geringe ernst delict
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel na een veroordeling voor vernieling. De veroordeelde was destijds 15 jaar oud en had een voorwaardelijke taakstraf opgelegd gekregen. Het bezwaar werd tijdig ingediend en de DNA-afname had reeds plaatsgevonden, maar het profiel nog niet bepaald.
De verdediging stelde dat de situatie een uitzondering vormde op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA, vanwege de jeugdige leeftijd, het feit dat het een first offender betrof, de geringe ernst van het delict en de afwezigheid van recidive. De officier van justitie concludeerde eveneens tot gegrondverklaring van het bezwaar.
De rechtbank overwoog dat hoewel vernieling een delict is waarbij DNA-materiaal nuttig kan zijn, de bijzondere omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd – waaronder de leeftijd van de veroordeelde, het overlijden van zijn moeder en het eenmalige karakter van het delict – een uitzondering rechtvaardigen. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de vernietiging van het celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de minderjarige veroordeelde wordt gegrond verklaard en het celmateriaal dient te worden vernietigd.