Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
4.De strafbaarheid van het feit
5.De strafbaarheid van de verdachte
Ook een beroep op putatief noodweer(exces) faalt. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de verdachte mocht menen dat hij zichzelf moest verdedigen dan wel dat hij zichzelf zou mogen verdedigen. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte in een bijzondere gemoedstoestand verkeerde doordat hij al zijn hele leven is gepest en in de periode voorafgaand aan het incident in toenemende mate werd bedreigd. Dat de verdachte langdurig is gepest is een stelling van de verdediging, die niet voldoende is geconcretiseerd. Het door de politie op dit punt gedane onderzoek levert geen eenduidig beeld op. Dat de verdachte, doordat hij in september en oktober twee keer is opgewacht, in een verhoogde staat van agitatie, angst en alertheid verkeerde wil de rechtbank aannemen. Dit neemt echter niet weg dat objectief gezien in de feitelijke situatie rond het fatale incident geen enkele aanleiding te vinden is voor een (begin van een) vermoeden van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Dit geldt te meer nu [slachtoffer] niet behoorde tot de hiervoor genoemde groep. Het handelen van de verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien tegen de achtergrond van het hiervoor beschreven voorgenomen plan om een daad te stellen. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dan dat de verdachte, wellicht mede door die verhoogde staat van agitatie, angst en alertheid, op de dag van het fatale incident de minste aanleiding heeft aangegrepen om zijn voorgenomen daad te stellen. In zoverre lijkt [slachtoffer] het willekeurige slachtoffer te zijn geworden van het voornemen van de verdachte. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.
De rechtbank acht zich, gelet op alle zich in het dossier bevindende stukken, met name het rapport dat omtrent (de persoon van) de verdachte is opgemaakt (ForCa rapport), voldoende voorgelicht over (de persoon van) de verdachte en acht onvoldoende belang aanwezig bij het gevraagde onderzoek in het licht van de resultaten van het reeds verrichte onderzoek, zodat de rechtbank een contra-expertise niet noodzakelijk acht. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding heeft te twijfelen aan de deskundigheid van de opstellers van het ForCa rapport, ook niet daar waar het de gehanteerde methode voor onderzoek betreft. Niet is gebleken dat de verdachte op zodanige manier is bejegend door de onderzoekers dat daardoor de integriteit en de deskundigheid van de onderzoekers in het geding is gekomen of dat daardoor het onderzoek niet deugdelijk is verricht. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de Raad over het onderzoek heeft verklaard, te weten dat sprake is van een kwalitatief gedegen (diagnostisch) onderzoek. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman dan ook af.
De verdachte stelt zich vanuit zijn (schijn)identiteit in verzet provocerend op, zoekt snel het conflict en ziet daarbij niet in wat zijn eigen aandeel is. Vanuit zijn wantrouwen interpreteert hij het gedrag van anderen snel als negatief en gaat dan makkelijk de strijd met anderen aan. Doordat hij niet goed geleerd heeft met frustraties om te gaan heeft hij sterke agressieve fantasieën ontwikkeld. In de periode voorafgaand aan het delict heeft hij sterke agressieve fantasieën geuit over het iemand iets aandoen. Daarbij doelde hij op de jongens die hem, in zijn ogen, pestten. Tevens is gebleken dat bij hem een zwakke realiteitstoetsing aanwezig is, hetgeen inhoudt dat hij zijn fantasieën snel in werkelijkheid kan omzetten.
Op de dag waarop het delict is gepleegd kreeg hij een conflict met [slachtoffer] . In de ontwikkeling van de agressieve fantasieën en het aangaan van het conflict met [slachtoffer] wordt een duidelijke en substantiële doorwerking van de problematiek gezien.
Tevens komt uit het onderzoek naar voren dat de verdachte veel controle heeft over zijn agressie. Hij kan agressieve impulsen uitstellen en raakt er niet door overspoeld. Hij lijkt dan ook een zekere mate van handelingsvrijheid te hebben gehad. Zo heeft hij zich bewapend met een mes en kan uit diverse chatgesprekken worden afgeleid dat hij wist dat er iets te gebeuren stond. Na het feit heeft hij de tegenwoordigheid gehad om weg te fietsen, het mes af te vegen en weg te gooien en zijn vrienden te bellen.
In het rapport is voorts aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor een posttraumatische stress-stoornis. Daartoe is aangevoerd dat uit de onderzochte gegevens onvoldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor ernstig gepest zijn en dat er evenmin aanwijzingen zijn voor herbelevingen of vermijding van trauma gerelateerde zaken. Ter zitting is door de deskundigen desgevraagd verklaard dat de verdachte het door hem gestelde pestgedrag in gesprekken nooit concreet heeft weten te maken. De deskundigen hebben verder toegelicht dat de verdachte door zijn gedragsproblematiek vaak over de grenzen van anderen heenging en dat hij als daar dan op gereageerd werd dit gedrag interpreteerde als pestgedrag. Hij is bovendien geneigd het gedrag van anderen snel negatief te interpreteren vanuit zijn wantrouwige houding.
Gelet op het voorgaande adviseren de deskundigen de rechtbank de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Daarbij is gebruik gemaakt van de vijfpuntsschaal (volledig ontoerekeningsvatbaar, sterk verminderd toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar, licht verminderd toerekeningsvatbaar en volledig toerekeningsvatbaar).