Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De feiten
gevangenisstraf.
.
Rechtbank Den Haag
Eiser is sinds 1983 gedetineerd na een schietpartij met zes doden en wordt sinds 2001 behandeld in de Van der Hoevenkliniek met als doel zijn terugkeer in de samenleving. In 2001 zijn afspraken gemaakt tussen de Staat, de kliniek en eiser over een resocialisatietraject gekoppeld aan een mogelijk gratieverzoek.
Eiser vordert dat de Staat binnen twee weken overleg voert met hem, zijn advocaat en de kliniek over het voorwaardelijke einddoel van zijn behandeling, omdat er onduidelijkheid bestaat over de verdere invulling van het traject. De Staat betwist een dergelijke overlegplicht en verwijst naar de formele procedures en het adviescollege.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de 2001-afspraken weliswaar geen civielrechtelijke overeenkomst vormen, maar wel verwachtingen scheppen waar de Staat aan is gebonden. Het overleg is noodzakelijk om de onduidelijkheid weg te nemen en vormt geen vooruitlopen op formele beslissingen. Tevens is de verplichting tot overleg in lijn met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die een positieve verplichting tot rehabilitatie inhoudt.
De vordering wordt toegewezen met een termijn van twee respectievelijk zes weken voor uitnodiging en overleg. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage op 7 mei 2015.
Uitkomst: De Staat is verplicht binnen twee weken overleg te voeren met eiser, zijn advocaat en de kliniek over het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject.