Eiser, een Eritrese dienstplichtige, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod van tien jaar werd opgelegd. Verweerder baseerde dit op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, stellende dat eiser persoonlijk en wetend had deelgenomen aan misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder het faciliteren van mishandeling en marteling van dienstplichtontduikers en deserteurs.
Eiser betwistte de verwijten en voerde aan dat hij onder dwang handelde en geen vrijwillige deelname had, mede gezien zijn jeugdige leeftijd en de repressieve omstandigheden. De rechtbank stelde vast dat eiser bekend was met de misstanden, maar dat verweerder onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd of eiser daadwerkelijk persoonlijk en wetend had deelgenomen aan de misdrijven, zoals vereist volgens de personal and knowing participation test.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de dwangpositie en de jeugdige leeftijd van eiser en dat het besluit daarom niet deugdelijk was gemotiveerd. Het beroep tegen het inreisverbod en de afwijzing van de verblijfsvergunning werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.