Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2015 in de zaak tussen
[verzoeker],
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
5. De rechtbank overweegt dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat, gelet op de geldigheidsduur van het visum, Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Verordening.
in het bijzonder(dus niet: uitsluitend) van belang is wanneer het gaat om jonge kinderen, al dan niet tezamen met hun ouders. Hieruit blijkt niet dat meerderjarige asielzoekers die speciale bescherming nodig hebben vanwege medische klachten bij voorbaat uitgesloten zijn van de toepassing van het arrest. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker thans onder medische behandeling staat omdat bij hem tuberculose is vastgesteld, hetgeen door verweerder niet is betwist. Gelet hierop kan verzoeker worden aangemerkt als een asielzoeker die in het bijzonder speciale bescherming nodig heeft in het licht van artikel 3 EVRM Pro. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat het in dit geval niet noodzakelijk is om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten. Ter zitting heeft verweerder immers desgevraagd toegezegd dat de Italiaanse autoriteiten vóór de feitelijke overdracht van verzoeker alsnog op de hoogte zullen worden gesteld van de gezondheidstoestand van verzoeker. Daarbij zal verweerder de beschikbare medische informatie over verzoeker overleggen en is ter zitting ook toegezegd dat, indien de Italiaanse autoriteiten naar aanleiding van de te verschaffen informatie - met name de omstandigheid dat verzoeker aan tuberculose lijdt en daarvoor medicatie behoeft tot in ieder geval september - te kennen geven dat zij op dat moment niet kunnen voldoen aan de benodigde voorzieningen, de overdracht geen doorgang zal vinden. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen adequate zorg- en opvangvoor-zieningen zal krijgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met bovengenoemde toezeggingen voldoende heeft gewaarborgd dat overdracht niet zal plaatsvinden als er een met artikel 3 EVRM Pro strijdige situatie zal ontstaan omdat blijkt dat de voor verzoeker benodigde voorzieningen niet beschikbaar zijn in Italië. Gelet hierop treft het beroep op het arrest Tarakhel in dit geval geen doel. De beroepsgrond faalt.