ECLI:NL:RBDHA:2015:8615
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep asielaanvraag op grond van Dublin III en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende een aanvraag in Nederland in voor een verblijfsvergunning asiel, welke werd afgewezen omdat Hongarije op grond van de Dublin III-verordening verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van zijn asielverzoek. Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd eveneens afgewezen.
De voorzieningenrechter overwoog dat Hongarije zich op grond van een fictief akkoord akkoord heeft verklaard met de terugname van eiser, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser stelde dat zijn vrouw en kinderen afhankelijk zijn van zijn zorg vanwege de psychische gesteldheid van zijn vrouw, maar deze stelling werd onvoldoende onderbouwd met medische stukken.
Verder werd het beroep op artikel 17 van Pro Dublin III, waarbij Nederland de asielprocedure aan zich zou moeten trekken, afgewezen omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Hongarije zijn verplichtingen niet nakomt. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie en rapporten die wel tekortkomingen in Hongarije signaleren, maar niet van dien aard zijn dat Nederland de procedure moet overnemen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werden geen kosten aan partijen opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.