ECLI:NL:RVS:2014:3588
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat overdracht aan Hongarije geen schending artikel 3 EVRM oplevert in asielprocedure
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af, waarna de vreemdeling beroep instelde bij de voorzieningenrechter. Deze verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en onderzocht of overdracht van de vreemdeling aan Hongarije een schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert. Hierbij werd onder meer gekeken naar rapporten van internationale organisaties zoals UNHCR en Human Rights Watch, en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Mohammadi tegen Oostenrijk.
Hoewel de Hongaarse asielprocedure en detentiepraktijken tekortkomingen vertonen, concludeert het EHRM dat er geen systematische schendingen zijn die een reëel risico op onmenselijke behandeling opleveren. De Afdeling sluit zich hierbij aan en oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat overdracht aan Hongarije geen strijd oplevert met artikel 3 EVRM Pro.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.