ECLI:NL:RBDHA:2015:8745
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod en intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde
Eiser, een Kaapverdische nationaliteit houdende vreemdeling die sinds 1998 in Nederland verblijft, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en oplegging van een tienjarig inreisverbod wegens strafrechtelijke antecedenten.
De minister had de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen en de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 11 juni 2012, mede op basis van meerdere onherroepelijke veroordelingen voor gewelds- en drugsdelicten. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de glijdende schaal toepaste waarbij alleen de ononderbroken periode van rechtmatig verblijf vanaf 20 april 2011 in aanmerking werd genomen.
Eiser voerde aan dat ook eerdere verblijfsperioden en quasi-rechtmatig verblijf meegewogen moesten worden en dat het inreisverbod disproportioneel is gezien zijn langdurige verblijf en familiale banden. De rechtbank volgt dit niet en stelt dat de minister bevoegd was het inreisverbod op te leggen en dat het inreisverbod geen schending oplevert van artikel 8 EVRM Pro, mede omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een bijzondere band heeft met zijn familie.
Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens het voortduren van het inreisverbod.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.