ECLI:NL:RBDHA:2015:8771
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak faillissementsfraude en administratieverplichting feitelijk bestuurder
De rechtbank Den Haag behandelde op 28 juli 2015 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van faillissementsfraude en het niet naleven van administratieverplichtingen als feitelijk bestuurder van een failliete onderneming. De tenlastelegging betrof onder meer het onttrekken van goederen aan de boedel en het niet voeren van een deugdelijke administratie.
Tijdens de zittingen op 24 oktober 2013, 16 april 2015 en 14 juli 2015 werd de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman. De officier van justitie vorderde vrijspraak van het primaire feit en bewezenverklaring van het subsidiaire feit met een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte de faillissementsfraude had gepleegd. Hoewel verdachte niet de formele bestuurder was, werd vastgesteld dat hij samen met zijn echtgenote feitelijk de onderneming bestuurde. De ingediende administratie was voldoende gestructureerd en overzichtelijk, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de administratieverplichtingen waren geschonden.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding. Tevens werden de benadeelde partijen veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak had gemaakt voor zijn verdediging, welke nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van faillissementsfraude en het niet naleven van administratieverplichtingen.