ECLI:NL:RBDHA:2015:940
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
Verzoeker, van Jamaicaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die door verweerder werd afgewezen op basis van een negatieve geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. Verzoeker stelde beroep in en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het nieuwe beleid, neergelegd in het WBV 2014/36 en de werkinstructie 2014/10, een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling voorschrijft die afwijkt van de eerdere methode waarbij positieve overtuigingskracht vereist was. Verweerder had echter nagelaten om in het bestreden besluit inzichtelijk te maken hoe deze integrale beoordeling was toegepast.
Daarmee was niet voldaan aan artikel 83, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat vereist dat verweerder niet alleen de uitkomst, maar ook de wijze van beoordeling schriftelijk bekendmaakt. De rechtbank vernietigde het besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het nieuwe beleid. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het geschil in de hoofdzaak was beslecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning is vernietigd wegens onvoldoende motivering van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en verweerder moet een nieuw besluit nemen.