ECLI:NL:RBDHA:2016:10443
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot heraanbesteding na intrekking voorlopige gunningsbeslissing
De Staat organiseerde een nationale openbare aanbestedingsprocedure voor het ontwikkelen en beheren van examenitems voor het inburgeringsexamen. Bureau ICE diende een inschrijving in, maar kreeg een negatief gunningsvoornemen vanwege onvoldoende scores op kwalitatieve criteria. Na bezwaren van Bureau ICE trok de Staat de voorlopige gunningsbeslissing in wegens fouten in de beoordeling en kondigde een herbeoordeling aan.
Bureau ICE vorderde in kort geding dat de aanbestedingsprocedure zou worden gestaakt en herstart, stellende dat het Aanbestedingsdocument onduidelijkheden en dubbelzinnigheden bevatte die niet door de aangekondigde herbeoordeling zouden worden gerepareerd. Cito verzocht om tussenkomst aan de zijde van de Staat, uit belang bij definitieve gunning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Cito geen belang had bij tussenkomst omdat de opdracht nog niet definitief aan haar was gegund en de rechtmatigheid van de intrekking van de voorlopige gunningsbeslissing in een aparte procedure moet worden beoordeeld. Ten aanzien van Bureau ICE werd overwogen dat zonder een geldige voorlopige gunningsbeslissing geen belang bestaat om onregelmatigheden in het Aanbestedingsdocument in kort geding te beoordelen. De vorderingen werden daarom afgewezen en Bureau ICE werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Bureau ICE af en verklaart het verzoek tot tussenkomst van Cito ongegrond.