ECLI:NL:RBDHA:2016:11404

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 september 2016
Publicatiedatum
22 september 2016
Zaaknummer
AWB 16 / 14312
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:3 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsdocument familielid gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende verblijf in Spanje

Eiseres, afkomstig uit de Dominicaanse Republiek, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als familielid van een Nederlandse gemeenschapsonderdaan. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet aannemelijk kon maken dat zij ten minste zes maanden onafgebroken met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje had verbleven.

In bezwaar werd het verzoek kennelijk ongegrond verklaard zonder eiseres te horen, wat zij betwistte. De rechtbank toetste of het bezwaar kansrijk was en concludeerde dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende waren om het verblijf in Spanje aannemelijk te maken. De administratieve inschrijving van de echtgenoot in Spanje in 2011 was niet voldoende, temeer daar hij sinds 2010 onafgebroken in Rotterdam stond ingeschreven en sinds 2009 in Nederland werkte.

De verklaringen van kennissen betroffen verblijf in Nederland en niet in Spanje. In beroep werden geen aanvullende bewijsstukken overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Spanje.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 16/14312
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 september 2016 in de zaak tussen
[naam], eiser,
gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om haar in het bezit te stellen van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kennelijk ongegrond verklaard.
Op 29 juni 2016 heeft eiseres beroep tegen het bestreden besluit ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen teneinde uitzetting hangende het beroep te voorkomen. Op 7 juli 2016 heeft eiseres het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Verschenen ter zitting zijn T.M.R. van Weissenbruch, juridisch medewerker op het kantoor van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de nationaliteit van de Dominicaanse Republiek. Zij heeft samen met haar echtgenoot [referent] (referent), die de Nederlandse nationaliteit bezit, drie kinderen, die allen geboren zijn te Moca in de Dominicaanse Republiek en eveneens de Nederlandse nationaliteit bezitten.
2. Op 27 oktober 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw waaruit rechtmatig verblijf als familielid van een gemeenschapsonderdaan blijkt.
3. Bij besluit van 9 maart 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en bepaald dat eiseres binnen vier weken Nederland moet verlaten, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten minste zes maanden daadwerkelijk en aaneengesloten verblijf met haar echtgenoot heeft gehad in Spanje. Het daartegen op 6 april 2016 door eiseres ingediende bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is afgezien van het horen van eiseres.
4. Eiseres heeft daartegen in beroep naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Zij stelt in bezwaar voldoende bewijsstukken te hebben overgelegd, waaruit blijkt dat zij gedurende ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met referent in Spanje.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt dit artikel toepassing indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 met nummer ECLI:NL:RVS:2016:2382.
6. Aldus ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de door eiseres in de bezwaarprocedure ingediende bewijsstukken aanknopingspunten bieden om alsnog aannemelijk te achten dat zij ten minste zes maanden een daadwerkelijk en aaneengesloten verblijf met haar Nederlandse echtgenoot heeft gehad in Spanje. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Uit de dossierstukken is gebleken dat het in dit geval gaat om niet meer dan een administratieve vestiging van referent in Spanje in 2011. Referent staat namelijk blijkens het overgelegde uittreksel uit de basisregistratie personen van 28 oktober 2015 vanaf 16 juni 2010 onafgebroken ingeschreven op hetzelfde adres in Rotterdam. Dat aan eiseres op 2 maart 2011 een Spaans verblijfsdocument is verstrekt, geldig tot 1 maart 2017, doet daaraan niet af. Uit de gegevens van Suwinet blijkt verder dat referent vanaf 16 april 2009 onafgebroken in Nederland heeft gewerkt. De overgelegde verklaringen van kennissen in Nederland, gedateerd 4 april 2016, hebben betrekking op verblijf van eiseres in Nederland, niet op het gestelde gezamenlijke verblijf in Spanje. Verweerder heeft zich derhalve met recht op het standpunt gesteld dat het ingediende bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit dan in eerste aanleg genomen.
7. In beroep zijn geen nadere bewijsstukken voor het gestelde verblijf van eiseres en referent in Spanje overgelegd. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.