ECLI:NL:RBDHA:2016:12072
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking marktvergunning na Wav-boete niet kennelijk onredelijk
Eiser was houder van een marktvergunning op de Haagse Markt en kreeg een boete van €6.000,- opgelegd vanwege overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Naar aanleiding hiervan trok het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn marktvergunning in op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening.
Eiser voerde aan dat hij geen rechtsmiddelen tegen de boete had aangewend vanwege zijn leeftijd en beperkte juridische bijstand, en betwistte de rol van de vreemdeling bij zijn marktkraam. De rechtbank stelde vast dat de boete onherroepelijk is en dat de gronden van eiser in deze procedure niet meer relevant zijn.
Verder stelde eiser dat hij ten onrechte dubbel werd bestraft en dat de intrekking van zijn vergunning niet in verhouding stond tot de overtreding. De rechtbank oordeelde dat de intrekking niet punitief is maar herstelgericht en dat de dwingendrechtelijke bepaling in de Marktverordening terecht is vastgesteld om een veilige en eerlijke markt te waarborgen.
Eiser voerde ook aan dat de intrekking in zijn bijzondere situatie onredelijk was vanwege zijn leeftijd, lange staat van dienst en financiële situatie. De rechtbank vond echter geen grond om het voorschrift buiten toepassing te laten en concludeerde dat de gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn marktvergunning wordt ongegrond verklaard.