ECLI:NL:RVS:2017:3245
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking marktvergunning wegens onvoldoende onderzoek kennelijke onredelijkheid
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok op 29 januari 2016 de marktvergunning van appellant in vanwege een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant kreeg een boete van €6.000,- opgelegd omdat een vreemdeling zonder werkvergunning werkzaamheden verrichtte op zijn marktkraam. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
In hoger beroep stelde appellant dat sprake was van dubbele bestraffing (ne bis in idem) en ongelijke behandeling ten opzichte van winkeliers, en dat de intrekking onredelijk was gezien zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn leeftijd en financiële situatie. De Raad van State oordeelde dat de intrekking een bestuurlijke maatregel is en geen strafsanctie, waardoor het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties van marktkooplieden en winkeliers niet vergelijkbaar zijn.
De Raad van State stelde echter vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de aard en zwaarte van de overtreding en de persoonlijke gevolgen voor appellant, terwijl er tegenstrijdige verklaringen waren over de mate van betrokkenheid van de vreemdeling bij de werkzaamheden. Hierdoor was het besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (zorgvuldigheidsbeginsel). De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit van het college werd eveneens vernietigd. De zaak werd terugverwezen met het oog op een nieuw besluit, waartegen alleen beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak mogelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de marktvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar kennelijke onredelijkheid.