ECLI:NL:RBDHA:2016:12985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 oktober 2016
Publicatiedatum
28 oktober 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 aanhef en onder b Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening

Eisers, Iraakse asielzoekers, hebben in Nederland asiel aangevraagd nadat zij via Duitsland waren gekomen. Nederland heeft Duitsland verzocht hen terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke terugname aanvankelijk werd afgewezen maar later alsnog werd geaccepteerd.

De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eisers betwisten dit en stellen dat zij in Duitsland geen formele asielaanvraag hebben ingediend, slechts een BÜMA-registratie, en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden.

De rechtbank oordeelt dat Duitsland terecht de verantwoordelijkheid heeft geaccepteerd, ook zonder formele asielaanvraag, omdat eisers als asielzoekers geregistreerd stonden. De kanttekeningen van eisers over de juridische gevolgen van een BÜMA-registratie zijn onvoldoende om het besluit aan te tasten.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen sprake van onevenredige hardheid of strijd met de Dublinverordening. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Sinack op 27 oktober 2016.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknrs: 16.2707, 16.2709 en 16.2711 (beroep) en 16.2708, 16.2710 en 16.2712 (verzoek)
V-nummers: [nummers]
uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 oktober 2016 in de zaken tussen

[eiseres], eiseres en verzoekster,

[eiseres], eiseres en verzoekster,
[eiser], eiser en vezoeker, hierna tezamen: eisers,
gemachtigde mr. M.S. Yap,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming overdracht hangende het beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2016. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit en zijn via Duitsland naar Nederland gekomen. Hier hebben zij op 16 februari 2016 een asielaanvraag gedaan.
Nederland heeft Duitsland op 13 april 2016 verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). De Duitse autoriteiten hebben deze terugnameverzoeken op 27 april 2016 afgewezen in verband met nader onderzoek. Nederland heeft de Duitse autoriteiten op 9 mei 2016 verzocht om dit standpunt te heroverwegen. Op 17 augustus 2016 heeft Duitsland de Dublinclaim van Nederland alsnog geaccepteerd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Verweerder heeft om die reden de aanvragen niet in behandeling genomen.
3. Eisers zijn het hiermee niet eens en stellen dat zij eerst in Nederland om asiel hebben gevraagd. Een BÜMA-registratie als asielzoeker in Duitsland betekent niet dat zij daar formeel een asielaanvraag hebben ingediend. Verweerder had hier volgens eisers nader onderzoek naar moeten doen. Eisers hebben zelf ter onderbouwing van hun stelling gewezen op het AIDA-rapport over de lengte van asielprocedures in Europa van oktober 2016, waaruit blijkt dat de juridische gevolgen van een BÜMA-registratie onduidelijk zijn. Ook hebben zij gewezen op de toelichting bij het BÜMA-formulier, waaruit blijkt dat een BÜMA-registratie niet de start van de asielprocedure in de zin van artikel 20 van Pro de Dublinverordening markeert. Eisers stellen verder dat zij geruime tijd in onzekerheid hebben doorgebracht en dat de terugname door Duitsland willekeurig is en in strijd met de Dublinverordening. Zij behoren tot een groep van 900 asielzoekers die in Eurodac zijn geregistreerd en die Duitsland in eerste instantie weigerde terug te nemen, omdat ze geen asiel hadden aangevraagd in Duitsland. Op 16 augustus 2016 hebben Duitsland en Nederland overeenstemming bereikt over een gelijkmatige verdeling tussen Nederland en Duitsland.
4. De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Verweerder mag er dan van uit gaan dat de Duitse autoriteiten hebben gecontroleerd of eisers eerst een verzoek om internationale bescherming in Duitsland hebben gedaan, alvorens het terugnameverzoek op deze grond te accepteren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Duitse autoriteiten in het claimakkoord over eisers expliciet hebben genoemd dat zij de verantwoordelijkheid accepteren, ondanks de afwezigheid van een formele asielaanvraag van eisers, omdat de Duitse autoriteiten een zogeheten BÜMA of een geschreven instructie hebben, wat bewijst dat eisers geregistreerd staan als asielzoeker in Duitsland.
5. Gelet hierop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een nader onderzoek. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat eisers al dan niet mondeling, om internationale bescherming hebben verzocht in Duitsland. De kanttekeningen die eisers hebben geplaatst bij de rechtsgevolgen van een BUMA-registratie doen hier niet aan af. Terugname van eisers door Duitsland is daarom niet in strijd met de Dublinverordening.
Eisers hebben ten slotte wel gesteld, maar niet onderbouwd dat een overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid. De enkele omstandigheid dat zij in onzekerheid hebben verkeerd over het land dat verantwoordelijk is voor de beoordeling van hun asielaanvragen, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eisers zeggen nimmer de bedoeling te hebben gehad om in Duitsland asiel aan te vragen strookt niet met de van hen bekende registratie en is voorts niet van betekenis bij de uitvoering van de Dublinverordening.
6. De beroepen zijn derhalve ongegrond en de verzoeken om voorlopige voorziening worden om die reden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken met nrs. 16.2707, 16.2709 en 16.2711, verklaart de beroepen ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaken met nrs. 16.2708, 16.2710 en 16.2712, wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.