ECLI:NL:RBDHA:2016:13285
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens toepassing Dublinverordening
Eiser had in Duitsland asiel aangevraagd en werd op grond van de Dublinverordening teruggenomen door Duitsland, dat aanvankelijk het verzoek afwees maar later de verantwoordelijkheid erkende via een claimakkoord. Eiser stelde dat hij in Duitsland geen formeel asielverzoek had ingediend en dat zijn vingerafdrukken alleen voor veiligheidsonderzoek waren genomen. Hij voerde aan dat het ontbreken van een formeel verzoek betekent dat Duitsland niet verantwoordelijk is en dat hij behoort tot een groep asielzoekers zonder formeel verzoek, wat strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en verbod op willekeur.
De rechtbank oordeelde dat het indienen van een asielverzoek vormvrij is en ook mondeling kan worden kenbaar gemaakt. De registratie in Eurodac en het claimakkoord van Duitsland bevestigen dat eiser een asielwens heeft kenbaar gemaakt. De rechtbank vond dat verweerder terecht uitging van de verantwoordelijkheid van Duitsland en dat nader onderzoek niet nodig was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van eiser niet gelijk is aan die van de groep waar hij zich op beroept.
Ten aanzien van de stelselmatige tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvang, zoals gebrek aan gefinancierde rechtsbijstand en slechte omstandigheden, concludeerde de rechtbank dat de aangevoerde stukken onvoldoende bewijs leveren voor ernstige structurele tekortkomingen die overdracht in de weg staan. Ook de rechtsbijstand in Duitsland voldoet aan de Europese richtlijnen. Klachten over de Duitse procedure dienen bij de Duitse autoriteiten of het EHRM te worden ingediend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.