ECLI:NL:RVS:2011:BT7118
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van asielverzoek en verblijfsrecht bij grensweigering vreemdeling
In deze zaak gaat het om de vraag of een vreemdeling die mondeling te kennen geeft asiel te willen aanvragen, al als asielzoeker moet worden beschouwd en rechtmatig verblijf heeft, ook voordat de formele aanvraag is ingediend. De vreemdeling werd op Schiphol aangehouden en kreeg de toegang tot Nederland geweigerd, waarna een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd.
De Raad van State overweegt uitgebreid de relevante Europese richtlijnen (Opvangrichtlijn, Procedurerichtlijn, Terugkeerrichtlijn) en het nationale vreemdelingenrecht. Uit de richtlijnen volgt dat een verzoek om internationale bescherming vormvrij kan worden gedaan en dat een mondelinge wens om asiel te vragen als een asielverzoek moet worden aangemerkt. Vanaf dat moment is de vreemdeling een asielzoeker met recht op verblijf totdat op het verzoek is beslist.
De Afdeling stelt dat de nationale wetgeving zo moet worden uitgelegd dat ook een vreemdeling die nog geen formele aanvraag heeft ingediend, maar wel de wens kenbaar heeft gemaakt, rechtmatig verblijf heeft. De vrijheidsontnemende maatregel was daarom alleen rechtmatig als de vreemdeling de feitelijke verdere toegang tot het grondgebied was ontzegd. De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de maatregel rechtmatig was en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel als rechtmatig bevestigd.