ECLI:NL:RBDHA:2016:13665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 augustus 2016
Publicatiedatum
15 november 2016
Zaaknummer
NL16.1826 en NL16.1827
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 sub b DublinverordeningArt. 2 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoekster aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiseres, een Somalische vrouw die een asielaanvraag in Nederland had ingediend, werd op grond van de Dublinverordening overgedragen aan Duitsland, waar zij eerder een asielverzoek had ingediend. De staatssecretaris nam haar asielaanvraag niet in behandeling en verwees naar de verantwoordelijkheid van Duitsland. Eiseres voerde aan dat zij zwanger is van haar Nederlandse echtgenoot en dat de Duitse autoriteiten onvolledig waren geïnformeerd, waardoor het terugnameverzoek mogelijk niet geaccepteerd zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat het huwelijk niet ter discussie stond, maar dat de Nederlandse echtgenoot geen gezinslid in de zin van de Dublinverordening is omdat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Artikel 9 van Pro de Dublinverordening was daarom niet van toepassing. Ook was er geen reden om op grond van artikel 17 de Pro asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken, omdat geen bijzondere individuele omstandigheden waren aangetoond. De rechtbank verwierp het betoog van eiseres dat sprake was van excessief formalisme en oordeelde dat de overdracht aan Duitsland niet onevenredig hard was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 16 augustus 2016.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de overdracht aan Duitsland wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL16.1826 (beroep) en NL16.1827 (verzoek)
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 16 augustus 2016 in de zaak tussen
[naam] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,
gemachtigde: mr. J.M. Walls,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 juli 2016 (het bestreden besluit), waarbij haar asielaanvraag niet in behandeling is genomen.
Eiseres heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig L. Warsame, tolk in de Somalische taal, en de echtgenoot van eiseres. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Somalische nationaliteit. Op 3 februari 2016 heeft zij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Uit Eurodac is gebleken dat zij eerder een asielverzoek heeft ingediend in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben op 6 april 2016 het terugnameverzoek van verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) geaccepteerd. Om die reden is de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen belemmeringen bestaan voor overdracht aan Duitsland.
3. Eiseres betoogt dat verweerder haar asielaanvraag in behandeling dient te nemen omdat zij zwanger is van haar in Nederland verblijvende echtgenoot, die tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten daarnaast onvolledig ingelicht in het terugnameverzoek van 1 april 2016, nu deze feiten daarin niet zijn vermeld. Als de Duitse autoriteiten hiervan op de hoogte waren geweest, zouden zij het terugnameverzoek wellicht niet geaccepteerd hebben. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 21 juni 2016, AWB 16/11807. Tot slot stelt eiseres dat verweerder met de overdracht aanstuurt op toekomstige verblijfsprocedures, zoals de zogeheten ‘Duitsland-route’. Eiseres acht de houding van verweerder getuigen van excessief formalisme.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk tussen eiseres en haar echtgenoot niet langer in geschil is en haar beroep op de gezinsband tussen hen beiden dan ook inhoudelijk dient te worden beoordeeld. Ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, zal de rechtbank beoordelen of artikel 9 van Pro de Dublinverordening op de situatie van eiseres van toepassing is. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de definitie van de in dit artikel gebruikte term ‘gezinslid’, opgenomen in artikel 2, aanhef en onder f, van de Dublinverordening, blijkt immers dat het dient te gaan om een onderdaan van een derde land of een staatloze. De echtgenoot van eiseres bezit de Nederlandse nationaliteit en is dus geen gezinslid in de zin van de Dublinverordening. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen beoordeling gemaakt van de toepasselijkheid van artikel 9 van Pro de Dublinverordening. Nu eiseres noch in de zienswijze, noch in de gronden van beroep een expliciet beroep heeft gedaan op deze bepaling, is het bestreden besluit in zoverre echter niet ontoereikend gemotiveerd.
5. De verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres staat daarmee in beginsel vast. Ter beoordeling staat slechts nog of verweerder in de onder 3 geschetste omstandigheden aanleiding had moeten zien de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het betreft een bevoegdheid van verweerder. Hieruit volgt dat verweerder niet gehouden was de Duitse autoriteiten in lichten over het huwelijk en de zwangerschap van eiseres. Deze omstandigheden waren immers niet relevant bij de beoordeling van het terugnameverzoek door de Duitse autoriteiten.
6. Over de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat, nu de specifieke bepalingen van de Dublinverordening over de ver- of hereniging van gezinsleden niet van toepassing zijn op eiseres, sprake moet zijn van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder de asielaanvraag alsnog aan zich diende te trekken. Verweerder hoefde dergelijke omstandigheden niet aan te nemen. Hoewel ter zitting door eiseres onweersproken is gesteld dat haar echtgenoot eerder ten behoeve van haar een aanvraag heeft ingediend voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis, is in die procedure vast komen te staan dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was gemaakt. Aan die procedure hoefde verweerder dan ook geen doorslaggevende betekenis toe te kennen bij de besluitvorming omtrent artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. De door eiseres gemaakte vergelijking met de uitspraak van deze rechtbank van 21 juni 2016 volgt de rechtbank niet. Gesteld noch gebleken is immers dat eiseres en haar echtgenoot sinds hun huwelijk, dat blijkens de Somalische huwelijksakte heeft plaatsgevonden op [datum] , samen hebben gewoond. De echtgenoot van eiseres verblijft reeds sinds 2008 in Nederland, en uit de verklaringen van eiseres tijdens het gehoor blijkt dat zij elkaar gedurende een periode van negen jaar niet hebben gezien.
8. Voorts is, anders dan eiseres stelt, in het bestreden besluit terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:563, waaruit volgt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Hiervoor staan andere regelingen open. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat overdracht van eiseres aan Duitsland niet van onevenredige hardheid getuigt.
9. Het betoog van eiseres dat het bestreden besluit getuigt van excessief formalisme volgt de rechtbank niet. Elke verblijfsrechtelijke procedure voortvloeiend uit de overdracht van eiseres aan Duitsland is op dit moment een onzekere toekomstige gebeurtenis. Niet valt in te zien dat verweerder eiseres op basis daarvan in de nationale asielprocedure op moet nemen.
10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL16.1826:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL16.1827:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.