Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staat der Nederlanden
de coöperatie Telerscoöperatie FresQ U.A. in liquidatie,
TELERSCOÖPERATIE FRESQ U.A.in liquidatie, statutair gevestigd te gemeente Westland;
Rechtbank Den Haag
De Staat der Nederlanden verzocht de rechtbank Den Haag om de Telerscoöperatie FresQ U.A. in liquidatie failliet te verklaren wegens een vermeende opeisbare vordering van ruim €48 miljoen. Deze vordering baseerde de Staat op dwangbevelen uitgevaardigd door het Productschap Tuinbouw, die nog niet door een onafhankelijke rechter waren getoetst.
FresQ voerde verweer en stelde dat de vordering niet summierlijk was gebleken, mede omdat de besluiten waaruit de dwangbevelen voortvloeiden nog in bezwaar en beroep waren bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De rechtbank oordeelde dat het bestaan van de vordering niet zonder meer als uitgangspunt kon worden genomen, omdat het een complexe kwestie betrof en het niet vaststond dat de Staat in het gelijk zou worden gesteld.
De rechtbank benadrukte het belang van een eerlijke en openbare inhoudelijke behandeling door een onafhankelijke rechter en vond dat de belangen van zorgvuldig beheer en gemeenschapstrouw niet zwaarder wegen dan dit recht. Ook was niet gebleken dat FresQ de procedure onnodig vertraagde.
Daarom wees de rechtbank het faillissementsverzoek af en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van FresQ, begroot op €904. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 15 november 2016.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek van de Staat tegen FresQ wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht.