Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nunc.Ten tijde van de uitspraak in hoger beroep dient dus aan de vereisten voor faillietverklaring te zijn voldaan. [31]
summierlijk blijkt” in art. 6 lid 3 Fw Pro. Het subonderdeel klaagt verder dat het oordeel in rov. 2.8 ontoereikend is gemotiveerd in het licht van hetgeen [eiseres] gesteld heeft en dat het hof aldus de ingrijpende gevolgen van een faillissement heeft miskend. Het voert daartoe aan dat [eiseres] weliswaar als derde-beslagene bij het vonnis van 23 augustus 2023 van de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 477a lid 1 Rv is veroordeeld tot betaling aan [verweerder 1] van het in rov. 2.8 vermelde bedrag, maar, zoals het hof vaststelt in rov. 2.4, heeft [eiseres] gesteld
vond dat de verklaring derdenbeslag niet tijdig was ingediend, maar dat kan worden gerepareerd in hoger beroep”, welke stelling zich niet anders laat verstaan dan dat [eiseres] (met ‘gerepareerd in hoger beroep’) doelt op de aan de derde-beslagene door de tweede volzin van art. 477a lid 1 Rv geboden mogelijkheid om toegelaten te worden om “
alsnog een gerechtelijke verklaring te doen”;
verklaring negerend” [eiseres] veroordeelde; en
Op formele gronden enteneinde gebruik te kunnen maken van het reparatierecht(voor zover nog nodig gelet op de formele bezwaren), is [eiseres] in hoger beroep gekomen. De memorie van grieven wordt aan dit appelschrift als productie 1 gehecht.”
op de zitting alsnog de verklaring derdenbeslag af te geven(productie 1).
De rechtbank heeft deze verklaring ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Volledigheidshalve wenst [eiseres]– nadrukkelijk slechts indien en voor zover [verweerder 2] & [verweerder 1] ontvankelijk zijn in hun vorderingen c.q. hun vorderingen niet reeds voor afwijzing gereed liggen op grond van de vorenstaande argumenten –
gebruik te maken van haar zogenoemde reparatierecht ín hoger beroep en verzoekt alsdan de verklaring alsnog te ontvangen en als een gerechtelijke verklaring te beschouwen.”
onder adat het hof heeft miskend dat zelfs indien ondanks onderdeel 1 vertrekpunt zou zijn dat [verweerder 1] , gezien art. 477a lid 1 Rv en genoemd vonnis van 23 augustus 2023, een vordering zou hebben op [eiseres] , de RC-vordering niet verifieerbaar is, zodat deze geen steunvordering kan zijn. Het voert daartoe aan dat als [A] de RC-vordering in een faillissement van [eiseres] indient, [A] daarmee geen succes zal hebben omdat [eiseres] , gezien het door [verweerder 1] gelegde executoriaal beslag, niet bevrijdend kan betalen aan [A] omdat [eiseres] als derde-beslagene moet betalen aan [verweerder 1] (art. 475h lid 1 en/of 477 lid 1 Rv). [verweerder 1] is met het door haar gelegde beslag op de RC-vordering rechtens de enige aan wie het bedrag dat met deze vordering gemoeid is, betaald moet worden. Derhalve kan van een verifieerbare vordering respectievelijk steunvordering van [A] geen sprake zijn.
onder bdat het hof in rov. 2.9 heeft miskend dat als [verweerder 1] uit hoofde van het vonnis van 23 augustus 2023 zijn vordering op [A] op het vermogen van [eiseres] mag verhalen, en [eiseres] haar schuld aan [A] uit de rekening-courant op grond van het derdenbeslag alleen aan [verweerder 1] mag betalen, er alleen een (verifieerbare) vordering van [verweerder 1] op [eiseres] bestaat en de RC-vordering als steunvordering wegvalt omdat die schuld dan niet meer aan [A] betaald behoeft/kan worden. Het hof heeft in het bijzonder miskend, aldus het subonderdeel, dat [A] door het derdenbeslag niet meer inningsbevoegd is en dat de inningsbevoegdheid door het executoriale beslag is overgegaan op [verweerder 1] .
onder cdat in elk geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is hoe het mogelijk zou zijn dat [eiseres] , die slechts eenmaal gehouden kan worden om die schuld uit rekening-courant te betalen, naar ’s hofs oordeel toch twee schuldeisers zou hebben. Het hof is te formalistisch waar het in rov. 2.9 oordeelt (i) dat de vordering van [verweerder 1] er een is uit hoofde van het vonnis van 23 augustus 2023 en in verband met het niet tijdig afgeven door [eiseres] van een derdenverklaring, en (ii) dat dit een schuld zou zijn uit een andere rechtsverhouding dan uit genoemde rekening-courantverhouding. Het hof heeft er ten onrechte niet doorheen gekeken en aldus eraan voorbijgezien dat voor zover het gaat om de RC-vordering slechts sprake is van een gekunstelde ‘pluraliteit’. Zelfs indien in formele zin sprake zou zijn van twee schuldeisers, blijft zonder nadere redengeving, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom de RC-vordering waarop door [verweerder 1] , de aanvrager van het faillissement van [eiseres] , beslag is gelegd, nog zou kunnen meetellen in het kader van de pluraliteit.
.
onder adat de rekeningcourantvordering geen steunvordering kan zijn omdat deze vordering niet verifieerbaar is, mist steun in het recht. Het is onjuist dat wil een vordering kunnen kwalificeren als steunvordering, noodzakelijk is dat deze ter verificatie kan worden ingediend in het faillissement. Ook niet-verifieerbare vorderingen kunnen als steunvordering dienen. [49] Ook de andere stellingen van het subonderdeel
onder a en bdoen er niet aan af dat de rekeningcourantvordering van [A] op [eiseres] als steunvordering kan dienen. Allereerst stelt het subonderdeel de gevolgen van het derdenbeslag onder [eiseres] ten laste van [A] onjuist voor. Het gaat in dit geval om derdenbeslag op een vordering tot betaling van een geldsom (art. 475 e.v. Rv), waarbij geen derdenverklaring zoals vereist door art. 476a lid 1 Rv is afgelegd door [eiseres] als derde-beslagene. Het derdenbeslag brengt mee dat de derde-beslagene het verschuldigde onder zich moet houden (art. 475 lid 1 en Pro 475h lid 1 Rv). Bij derdenbeslag op een vordering tot betaling van een geldsom houdt dat concreet in dat de derde-beslagene het verschuldigde geld niet aan de beslagene moet betalen. [50] De derde-beslagene (hier [eiseres] ) blijft echter gedurende een conservatoir of executoriaal beslag op een vordering nog steeds bevoegd om aan de beslagene (hier [A] ) te betalen en deze betaling is tegenover de beslagene ook bevrijdend. [51] De beslagene is bovendien niet verplicht om zich van inning van de beslagen vordering te onthouden en deze handeling levert in beginsel ook geen civielrechtelijke aansprakelijkheid of een strafbaar feit op. [52] Int de beslagene een beslagen vordering, dan kan de beslaglegger (hier [verweerders] ) de vordering wel nog steeds bij de derde-beslagene innen op grond van art. 475h lid 1 Rv. [53] De stellingen dat [eiseres] door het beslag niet bevrijdend kan betalen aan [A] (subonderdeel onder a) en dat [eiseres] door het beslag niet meer inningsbevoegd is (subonderdeel onder b), vinden dus geen steun in het recht.
onder cklaagt, ook niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel gaat ervan uit dat [eiseres] slechts éénmaal de schuld uit de rekeningcourantverhouding verschuldigd is. Dat is op zichzelf wellicht juist, maar laat onverlet dat zowel [verweerders] als [A] schuldeiser van [eiseres] zijn. Het betoog van het subonderdeel gaat, anders gezegd, alleen op als zeker is dat de schuld uit de rekeningcourantverhouding aan [verweerders] moet worden betaald en [A] als schuldeiser ‘wegvalt’. Dat is echter maar de vraag. Een vraag die in de verificatieprocedure aan de orde moet komen. [57]
ex nuncgetoetst moet worden of er een steunvordering is, want het is aan partijen, [eiseres] en [verweerder 1] , en niet aan de curator om feiten te stellen respectievelijk naar voren te brengen die voor deze toets van belang zijn. Hierbij komt dat degene die in hoger beroep als het onderhavige optreedt als curator, deze hoedanigheid slechts dankt aan het gegeven dat hij bij het vonnis waarbij het faillissement is uitgesproken tot curator benoemd is, terwijl het in dat hoger beroep nu juist gaat om de vraag of dit vonnis en daarmee deze benoeming vernietigd moet worden: de curator, deze doet hier denken aan baron Von Münchhausen, die in het hoger beroep geen partij is, heeft of behoort in dit hoger beroep geen eigen, laat staan zelfstandige, positie te hebben, aldus het subonderdeel.
ex nunc, zie 3.6 hiervoor). De rechter heeft bovendien de vrijheid wie dan ook te horen, zonder formaliteiten [60] . De rechter kan ook gebruik maken van de inlichtingen, gehoord bij de behandeling van het hoger beroep tegen de faillietverklaring en door de curator verstrekt. [61] Indien in eerste aanleg de faillietverklaring is uitgesproken zal gewicht worden toegekend aan het oordeel van de curator ten aanzien van het al dan niet bestaan van vorderingen. [62] Het behoort namelijk tot de taak van de curator dat hij de rechter informeert over de toestand van de boedel en dus o.m. inlichtingen geeft die van belang zijn voor de beoordeling of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen [63] . Het hof was dus niet gebonden aan de stellingen van [verweerders] en/of [eiseres] en het is ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door zijn oordeel mede te baseren op inlichtingen van de curator ter zitting in hoger beroep. [eiseres] heeft bovendien blijkens rov. 2.9 ook kunnen reageren op wat de curator naar voren heeft gebracht, zodat er, hoewel daar niet over wordt geklaagd, geen strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. [64] De klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af.
onder adat het oordeel onjuist is omdat het hof de vordering van [verweerders] op [A] tevens als een opeisbare vordering op [eiseres] heeft beschouwd. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerders] uit hoofde van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 23 augustus 2023 opeisbare vorderingen op [eiseres] heeft (rov. 2.8), en dat dit een schuld van [eiseres] betreft uit hoofde van een andere rechtsverhouding dan de rekening-courantvordering van [A] (rov. 2.9). Nergens blijkt verder uit dat het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [verweerders] op [A] tevens een opeisbare vordering van [verweerders] op [eiseres] vormt. De klacht
onder bslaagt ook niet. Het bevat herhaling van de klacht van subonderdeel 2.1 dat de RC-vordering van [A] op [eiseres] niet kan dienen als steunvordering. Het faalt om dezelfde redenen als genoemd bij de bespreking van dat subonderdeel (ik verwijs kortheidshalve naar 3.22-3.27 hiervoor). De klachten falen kortom.
veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar”. Op grond van die veroordeling kan [verweerders] dus (minstens [67] ) van [eiseres] vorderen wat het van [A] kan vorderen.