Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[B] ,
1.De procedure
- het vonnis in het incident van 24 februari 2016 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 november 2016.
- de dagvaarding van 29 maart 2016 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 november 2016.
2.De feiten
3.Het geschil
in de hoofdzaak
4.De beoordeling
in de hoofdzaak
moest– niet mocht of kon – terugbetalen aan [B] en (ii) redelijke gronden had voor deze veronderstelling.
moestworden betaald aan [B] , zoals vereist voor een geslaagd beroep op artikel 6:34 BW Pro.