Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Pro Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.
De staatssecretaris heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiser in het voornemen en besluit tot uiting komt hoe de verschillende elementen, inclusief de overige verklaringen van eiser zijn beoordeeld. In het geval van eiser is onder andere overwogen dat hij niet overtuigend heeft verklaard over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid, nu zijn verklaringen hierover erg algemeen zijn, niet toezien op het gevoelsleven van eiser en hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn proces van bewustwording is verlopen. In dat verband is volgens verweerder terecht van belang geacht dat eiser niet kon aangeven hoe hij zich erbij voelde toen hij ontdekte dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen, hoe hij met deze gevoelens omging en hoe hij dit probeerde te verbergen. Dit geldt volgens verweerder temeer aangezien eiser goed opgeleid is, een langdurige diepgaande relatie met zijn neef had en een strenggelovige oom die tevens het hoofd van de familie is. In het bestreden besluit is uiteengezet dat en waarom het aangevoerde gevoel van schaamte en terughoudendheid niet maakt dat daarmee de homoseksualiteit aannemelijk is geworden. Verweerder heeft daarbij rekening gehouden met het ontbreken van plausibele verklaringen voor de constateringen die onder andere via Facebook zijn gedaan alsmede de tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen. Mede gelet op deze omstandigheden heeft verweerder de door eiser gestelde geaardheid ongeloofwaardig bevonden.