ECLI:NL:RBDHA:2016:16386
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Oekraïense burger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Dit werd bevestigd door een overnameverzoek van de Poolse autoriteiten.
Eiser betoogde dat verweerder in strijd met zijn eigen beleid en het vertrouwensbeginsel handelde door zijn aanvraag niet direct in de Dublinprocedure op te nemen en hem toch te horen over zijn asielmotieven, waardoor hij gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gekregen dat zijn aanvraag in Nederland werd behandeld. Verweerder erkende een ambtelijke fout maar stelde dat het onderzoek naar de verantwoordelijke lidstaat nog niet was afgerond en dat het claimakkoord na het nader gehoor was gesloten.
De rechtbank volgde verweerder en oordeelde dat de procedure ter vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat nog niet was afgerond en dat eiser bij de gehoren was gewezen op de mogelijkheid van overdracht aan Polen. Ook was volgens de rechtbank het claimverzoek binnen de termijn ingediend. Verder was het niet aannemelijk dat Polen geen bescherming biedt of dat sprake is van onevenredige hardheid die overdracht zou verhinderen.
Ten slotte wees de rechtbank het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU af en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen omdat het belang was komen te vervallen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-inhoudelijk behandelen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Polen wordt ongegrond verklaard.