ECLI:NL:RVS:2014:3385
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing asielverzoek en toetsing Dublinverordening
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 20 maart 2013 het asielverzoek van de vreemdeling af. De voorzieningenrechter verklaarde dit besluit op 2 juli 2013 gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat het asielverzoek reeds was behandeld in de zin van de Dublinverordening, omdat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen nog niet was afgerond. Dit bleek onder meer uit het feit dat bruikbare vingerafdrukken pas in januari 2013 waren verkregen, waarna België als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen.
De vreemdeling voerde aan dat België niet verantwoordelijk kon zijn vanwege een verblijf van meer dan drie maanden buiten de EU en vanwege mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro door onvoldoende onderzoek naar zijn psychische toestand. De Afdeling verwierp deze gronden omdat het verblijf buiten de EU niet aannemelijk was gemaakt en er geen concrete aanwijzingen waren dat België zijn verplichtingen niet zou nakomen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het asielverzoek blijft in stand.