Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
enzich daarmee aan de tenuitvoerlegging in de lidstaat van veroordeling heeft onttrokken.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Nederlandse nationaliteit, werd in België veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, naast een eerdere Nederlandse straf. De Belgische straf werd door de Nederlandse autoriteiten erkend en ten uitvoer gelegd, waarbij de minister besloot dat de straf in Nederland mocht worden uitgevoerd. Eiser betwistte dat hij instemde met deze tenuitvoerlegging, omdat hij volgens hem geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, wat volgens de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) vereist is.
De rechtbank oordeelt dat ondanks het feit dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zijn instemming met de tenuitvoerlegging niet vereist was omdat hij naar Nederland is teruggekeerd na zijn veroordeling in België. De beslissing van de minister om de straf in Nederland uit te voeren wordt daarom niet onrechtmatig geacht. Tevens faalt het beroep van eiser op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank wijst ook het verzoek van eiser af om een voorschot op schadevergoeding te betalen, omdat geen onrechtmatig handelen van de Staat is vastgesteld. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de Nederlandse uitvoering van een buitenlandse straf onder de WETS kan plaatsvinden zonder instemming van de veroordeelde indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de detentie wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.