In deze zaak staat centraal of tussen partijen schriftelijk overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en wanneer de wettelijke bedenktermijn is aangevangen. De werknemer stelt dat geen geldige schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen omdat de beëindigingsovereenkomst niet door partijen is ondertekend, waardoor de bedenktermijn niet is gestart en zij haar herroepingsrecht kan uitoefenen.
De kantonrechter stelt vast dat de schriftelijkheidseis van artikel 7:670b BW niet vereist dat partijen zelf de overeenkomst ondertekenen. De instemming van de werknemer via haar gemachtigde per e-mail op 29 januari 2016 voldoet aan het vereiste van schriftelijkheid. Uit de e-mail blijkt dat partijen overeenstemming bereikten over de essentiële onderdelen van de beëindigingsovereenkomst, waaronder de datum van beëindiging en de vergoeding.
De werknemer voerde aan dat zij niet goed geïnformeerd was en dat de gemachtigde haar niet daadwerkelijk over de regeling had ingelicht. Dit verwerpt de kantonrechter omdat de werknemer gedurende de onderhandelingen deskundige bijstand had. De bedenktermijn is derhalve op 29 januari 2016 aangevangen en was verstreken toen de werknemer zich op haar herroepingsrecht beriep.
De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af en veroordeelt haar in de proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat schriftelijke instemming via gemachtigde per e-mail rechtsgeldig is en dat de bedenktermijn niet afhankelijk is van ondertekening van een fysieke overeenkomst door partijen zelf.