ECLI:NL:RBDHA:2016:17263
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onrechtmatig verblijf en inreisverbod
Eiser, een Ivoriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familielid van een Nederlandse referent en haar kinderen. Verweerder wees dit verzoek af vanwege een lopend inreisverbod en het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Tevens was er twijfel over het bestaan van een duurzame relatie tijdens rechtmatig verblijf.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht alle feiten en omstandigheden heeft meegewogen, waaronder het feit dat eiser het gezinsleven heeft geïntensiveerd tijdens onrechtmatig verblijf, zijn eerdere justitiële veroordeling en de medische situatie van zijn dochter. Het deskundigenadvies van het Bureau Medische Advisering gaf geen aanleiding voor een objectieve belemmering om het gezinsleven in Ivoorkust voort te zetten.
De belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro leidde tot de conclusie dat het Nederlandse belang bij het handhaven van het inreisverbod en het restrictieve toelatingsbeleid zwaarder woog dan het belang van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.