ECLI:NL:RVS:2014:265
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onzorgvuldigheid staatssecretaris bij medische beoordeling vreemdeling en toetsing belangen kind
De staatssecretaris wees een aanvraag van een vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond omdat de staatssecretaris volgens haar onzorgvuldig had gehandeld door medische informatie van oktober 2012 niet aan het Bureau Medische Advisering (BMA) voor te leggen.
De Raad van State oordeelt dat de brief van oktober 2012 geen nieuwe medische feiten bevatte die het BMA niet kende en dat het verschil van inzicht tussen behandelaars en BMA niet betekent dat het advies onvoldoende zorgvuldig was. Daarom was het oordeel van de rechtbank onjuist en wordt haar uitspraak vernietigd.
Verder toetst de Raad of de belangen van het minderjarige kind voldoende zijn meegewogen in het besluit. Gelet op het bindende karakter van het Handvest van de Europese Unie en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind concludeert de Afdeling dat de staatssecretaris voldoende rekening heeft gehouden met het belang van de vreemdeling.
Ten slotte oordeelt de Raad dat het horen van de vreemdeling in de bezwaarprocedure achterwege mocht blijven omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep tegen het besluit van 26 november 2012 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.