Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- Eiser is afkomstig uit Togo en behoort tot de Kotokoli bevolkingsgroep;
- Eiser stelt lid te zijn van A.N.C., een politieke partij in Togo;
- Eiser stelt deel te hebben genomen aan demonstraties dan wel bijeenkomsten van A.N.C.;
- Eiser stelt vanwege zijn lidmaatschap van A.N.C. problemen te hebben ondervonden met [A] , een lid van A.N.C.;
- Eiser stelt homoseksueel geaard te zijn, hij stelt in Togo een relatie te hebben gehad met [B] en vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen te hebben ondervonden met zijn familie en [A] .
Met betrekking tot de algemene beoordeling van eisers verklaringen heeft verweerder overwogen dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van zijn homoseksuele gerichtheid. Zo heeft verweerder ten aanzien van de door [A] in een disco genomen foto overwogen dat niet valt in te zien dat eiser in het openbaar is gaan zoenen met [B] en een zodanig risico neemt in een land waar homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd. Verder heeft eiser wisselende verklaringen afgelegd over het nemen van de foto door [A] . Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden midden 2014, terwijl hij tijdens het aanvullend gehoor heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren in welke maand dit is geweest. Over het moment waarop de tante van eiser door [A] op de hoogte is gesteld van zijn homoseksualiteit heeft eiser vage, summiere en ongerijmde verklaringen afgelegd. Ook acht verweerder bevreemdend dat eiser nadien in het huis bij zijn tante heeft verbleven, terwijl eiser heeft verklaard dat zijn familie homoseksualiteit niet accepteert.
Daarnaast is eiser van mening dat verweerder het bestreden besluit niet heeft mogen baseren op het rapport van Bureau Documenten van 18 juni 2015 nu dit rapport niet inzichtelijk is. Volgens eiser volgt de conclusie in het rapport niet op logische wijze uit de bevindingen en is het partijboekje ten onrechte niet vergeleken met referentiemateriaal. Gelet hierop heeft verweerder zijn vergewisplicht geschonden. Eiser betoogt ook dat hij een voldoende concrete verklaring heeft gegeven over de aanvangsdatum van zijn lidmaatschap van A.N.C., de oprichtingsdatum, de doelstellingen en de locatie van het partijkantoor van A.N.C. De door hem genoemde partijleiders zijn jeugdleiders die niet terug te vinden zijn op de website van de partij. Volgens eiser gaat verweerder er in dit kader bovendien aan voorbij dat hij nog meer informatie over de partij heeft gegeven, alsmede dat zijn deelname aan demonstraties van A.N.C geloofwaardig is bevonden. Eiser is verder van mening dat verweerder de genoemde gebeurtenis van de brand op de markt ten onrechte niet als externe geloofwaardigheidsindicator heeft betrokken. Ook voert eiser aan dat verweerder de omstandigheid dat van de overgelegde oproepen de authenticiteit niet kan worden vastgesteld ten onrechte ten nadele van eiser heeft laten komen.
- Identiteitskaart, afgiftedatum 18 oktober 2013;
- Partijboekje A.N.C., afgiftedatum 16 november 2011;
- Oproepen (x4), afgiftedatum 1 september 2014, 24 september 2014, 6 november 2014 en 11 december 2014.
Ten aanzien van de gestelde gebeurtenissen naar aanleiding van zijn lidmaatschap van A.N.C. heeft verweerder ongeloofwaardig mogen achten dat [A] zich na zijn verraad weer bij demonstraties en bijeenkomsten kon voegen zonder enige actie van de kant van de leden, dan wel de partijleiding. Eiser heeft hieromtrent nog altijd geen eenduidige verklaring gegeven. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij op de hoogte is geraakt van het verraad van [A] . Met de enkele verwijzing naar de zienswijze heeft eiser geen duidelijkheid verschaft over de geconstateerde tegenstrijdigheid. Verder heeft verweerder ongeloofwaardig mogen achten dat [A] zijn verraad open en bloot aan eiser kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat de omstandigheid dat Bureau Documenten de authenticiteit van de overgelegde oproepen niet kan vaststellen niet ten nadele van hem mag worden gebruikt. Verweerder heeft in dit verband immers overwogen dat niet duidelijk is welke waarde aan de documenten toekomt. Verweerder heeft de overgelegde oproepen dan ook noch ten voordele noch ten nadele van eiser gebruikt. Tot slot heeft verweerder mogen overwegen dat niet valt in te zien dat de autoriteiten eiser hebben laten ontsnappen terwijl hij zich na het ontvangen van drie oproepen niet heeft gemeld, alsmede dat eiser vanuit Bafilo naar Lome is teruggekeerd terwijl de autoriteiten daar naar hem op zoek waren. Eiser heeft op dit punt evenmin een afdoende verklaring gegeven. Ten aanzien van de in beroep overgelegde verklaring van Novation overweegt de rechtbank dat deze verklaring niet in origineel is overgelegd en afkomstig is van een niet algemeen bekende organisatie. Ook heeft eiser ter zitting aangegeven niet bekend te zijn met deze organisatie. Eiser heeft op dit punt slechts kunnen verklaren dat de verklaring waarschijnlijk in samenspraak met A.N.C. is opgesteld. De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanknopingspunten. Uit deze (in de Franse taal opgestelde) verklaring kan niet de gehanteerde onderzoeksmethode worden afgeleid en evenmin is inzichtelijk wat de basis is voor de getrokken conclusies. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan deze verklaring niet de waarde kan worden gehecht die eiser voor ogen heeft.
“Beoordeling van een seksuele gerichtheid
7. De door het Hof geformuleerde grenzen scheppen een algemeen kader waarbinnen de staatssecretaris de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Pro Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht. (…)
7.7. Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven.”